J. van Breukelen Geen reacties

Indien u wordt veroordeeld wegens het plegen van een strafbaar feit, kan de rechter u een straf opleggen zoals een gevangenisstraf, een taakstraf of een geldboete. Daarnaast kan de rechter een aantal bijkomende straffen opleggen. Een voorbeeld van zo’n bijkomende straf is de zogenaamde verbeurdverklaring.

Wat is verbeurdverklaring?

De verbeurdverklaring is geregeld in de artikelen 33, 33a, 33b, 33c en 34 Wetboek van Strafrecht. Het belangrijkste daarvan is artikel 33a Wetboek van Strafrecht, omdat hierin staat beschreven welke goederen vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Dit zijn, kort samengevat:

  1. voorwerpen die zijn verkregen door het plegen van het strafbare feit;
  2. voorwerpen met betrekking tot welke het strafbare feit is begaan;
  3. voorwerpen waarmee het strafbare feit is begaan of voorbereid;
  4. voorwerpen waarmee de opsporing van het strafbare feit is belemmerd;
  5. voorwerpen die zijn gemaakt of bestemd voor het begaan van het feit; en
  6. zakelijke of persoonlijke rechten op de onder 1 t/m 5 genoemde voorwerpen.

In principe kunnen alleen voorwerpen verbeurd worden verklaard die van de veroordeelde zelf zijn. Hierop zijn twee uitzonderingen:

  • de eigenaar wist of had kunnen vermoeden dat de voorwerpen verkregen waren met het strafbare feit of daarvoor gebruikt werden;
  • het is niet te achterhalen aan wie de voorwerpen toebehoren.

Indien de eigenaar (achteraf) hoort dat een voorwerp dat van hem of haar is, toch verbeurd is verklaard, kan hij daar een klaagschrift tegen indienen (artikel 552b Wetboek van Strafvordering). Wanneer de rechtbank het beklag gegrond verklaard, dan wordt de verbeurdverklaring herroepen en krijgt de Officier van Justitie de opdracht het voorwerp terug te geven aan de eigenaar. Indien het voorwerp inmiddels is verkocht, zal de eigenaar de geschatte waarde uitgekeerd moeten krijgen.

Een voorbeeld van een gegrond klaagschrift tegen een verbeurdverklaring betrof de zaak die heeft geleid tot een uitspraak van de rechtbank te Breda van 7 februari 2007 (ECLI:NL:RBBRE:2007:AZ6820). Hierin verzocht een vader om teruggave van zijn auto die door zijn zoon werd gebruikt bij het plegen van strafbare feiten. De auto was in het vonnis tegen de zoon verbeurd verklaard. De raadkamer die het klaagschrift beoordeelde was echter van mening dat de vader niet wist dat zijn zoon de auto had gebruikt voor criminele activiteiten. De rechtbank bepaalde dat de auto aan vader moest worden teruggegeven.

De veroordeelde zelf kan geen klaagschrift indienen. Indien hij of zij het niet eens is met de verbeurdverklaring, zal er hoger beroep of beroep in cassatie tegen de veroordeling moeten worden ingesteld.

Tot slot is nog van belang dat de rechter bij de beslissing over het al dan niet verbeurd verklaren van voorwerpen rekening moet houden met de draagkracht van de verdachte (artikel 33 lid 2 jo. 24 Wetboek van Strafrecht). Dat betekent dat de verdachte niet onevenredig mag worden getroffen. Dit beginsel komt ook terug in artikel 33c Wetboek van Strafrecht waarin bepaald is dat als een voorwerp verbeurd wordt verklaard dat meer waard is dan het bedrag waarvoor de rechtbank de veroordeelde wil straffen, de verdachte het verschil zal moeten worden vergoed.

Wilt u meer weten over dit onderwerp of hebt u op wat van manier dan ook te maken met een (dreigende) verbeurdverklaring, neem dat contact op met het kantoor. Wetgeving en jurisprudentie is altijd aan verandering onderhevig. Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *