Hoofdelijke aansprakelijkheid bij voordeelontneming - Van Breukelen Advocatuur
J. van Breukelen Geen reacties

Sinds 2011 biedt de wet de mogelijkheid om bij het afpakken van criminele inkomsten hoofdelijke aansprakelijkheid uit te spreken. Stel dat er door 4 mensen een misdrijf is gepleegd waarmee in totaal 100.000 euro is verdiend. Dan kan aan iedere veroordeelde de verplichting worden opgelegd tot het betalen van 100.000 euro. Hoe werkt dit in de praktijk?

Waar staan de regels over hoofdelijke aansprakelijkheid?

De wetsbepaling waarin de hoofdelijke aansprakelijkheid bij ontneming is vastgelegd betreft artikel 36e lid 7 Wetboek van Strafrecht. Dit artikellid is op 1 juli 2011 in werking getreden. De bepaling luidt als volgt:

Bij het vaststellen van het bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel op grond van het eerste en tweede lid ter zake van strafbare feiten die door twee of meer personen zijn gepleegd, kan de rechter bepalen dat deze hoofdelijk dan wel voor een door hem te bepalen deel aansprakelijk zijn voor de gezamenlijke betalingsverplichting.

De rechtspraak van de Hoge Raad

De Hoge Raad heeft op 7 april 2015 een belangrijke uitspraak gedaan over dit onderwerp. De Hoge Raad oordeelde dat hoofdelijke aansprakelijkheid niet afdoet aan het reparatoire karakter van de ontnemingsmaatregel. Anders gezegd: hoofdelijke aansprakelijkheid is niet bedoeld om mensen méér geld te laten betalen dan dat ze daadwerkelijk verdiend hebben. Het is uitsluitend bedoeld voor gevallen waarin er meerdere mensen hebben geprofiteerd van strafbare feiten. Daarnaast moeten die personen er voor kiezen geen duidelijkheid te geven over de verdeling van de criminele opbrengsten.

De Hoge Raad vervolgt:

Het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting voor het gehele bedrag van het wederrechtelijk verkregen voordeel, zonder dat is kunnen worden vastgesteld dat de ‘schuldenaar’ dat voordeel heeft verkregen, zal doorgaans in strijd zijn met het uitgangspunt dat slechts voordeel kan worden ontnomen dat de betrokkene in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald. Alleen indien het verkregen wederrechtelijk voordeel als ‘gemeenschappelijk voordeel’ kan worden aangemerkt waarover ieder van de mededaders kan beschikken of heeft kunnen beschikken, tast oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting het karakter van de ontnemingsmaatregel niet aan. Dit ‘gemeenschappelijk voordeel’ kan dan aan ieder van de mededaders voor het geheel worden toegerekend.

Indien door twee of meer personen een strafbaar feit is gepleegd dat wederrechtelijk voordeel heeft opgeleverd, kan daaraan echter niet zonder meer de conclusie worden verbonden dat het verkregen voordeel als ‘gemeenschappelijk voordeel’ moet worden aangemerkt. Het hangt af van de omstandigheden van het geval wanneer daarvan sprake zal zijn.

Er moet sprake zijn van een ‘gemeenschappelijk voordeel’

Dus: er moet sprake zijn van een ‘gemeenschappelijk voordeel’, waarover ieder van de mededaders heeft kunnen beschikken. Zo niet, dan is het opleggen van hoofdelijke aansprakelijkheid in strijd met het karakter van de ontnemingsmaatregel. Daarnaast zegt de Hoge Raad expliciet dat het enkele feit dat er sprake is van medeplegen niet voldoende is. Het kunnen opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting vereist méér dan dat.

Volgens de hoge Raad zal hoofdelijke aansprakelijk slechts in een beperkt aantal gevallen mogelijk zijn. Uitgangspunt blijft dat de rechter een verdeling maakt. Indien komt vast te staan dat twee of meer daders hebben geprofiteerd van een strafbaar feit, maar verder niet blijkt hoe de ‘buit’ is verdeeld, dan zal de rechter het voordeel pondspondsgewijs moeten toerekenen. Dus 90.000 euro voordeel en 3 daders is 30.000 euro per persoon. Hoe zit het als de rechter niet kan vaststellen hoeveel mededaders er zijn? Dat kan de rechter volgens de Hoge Raad een naar redelijkheid te bepalen gedeelte aan de veroordeelde toerekenen.

Pas indien in het dossier ‘duidelijke aanwijzingen’ bevat dat twee of meer, bekende of onbekende, daders gezamenlijk de beschikking hebben gehad over de gehele opbrengst van het strafbare feit én de betrokken veroordeelde geen verdere gegevens verschaft, kan er hoofdelijke aansprakelijkheid worden uitgesproken.

Mededader hoeft niet bekend of veroordeeld te zijn

In een iets latere uitspraak van 7 juli 2015 heeft de Hoge Raad nog eens duidelijk gemaakt dat de mededader niet per se bekend en/of veroordeeld hoeft te zijn. Het mag dus ook gaan om een onbekende mededader of iemand die nooit terecht heeft gestaan. Het is voldoende dat de mededader(s) uit het strafbaar feit een ‘gemeenschappelijk voordeel’ hebben gehad. Dit heeft als nadeel voor de veroordeelde dat hij zijn civielrechtelijke regresrecht op de niet-veroordeelde(n) niet kan uitoefenen.

Motiveringseisen

In diverse latere uitspraken heeft de Hoge Raad er op gewezen dat de rechter het opleggen van een hoofdelijke betalingsverplichting altijd moet motiveren. Bijvoorbeeld in de uitspraak van 22 november 2016. Het Gerechtshof Den Haag had twee verdachten veroordeeld voor hennepteelt. Daarnaast achtte het hof aannemelijk dat er nog andere (onbekend gebleven) mededaders hadden geprofiteerd van de kwekerij. Het hof oordeelde ten slotte dat de veroordeelden geen inzicht hadden willen verschaffen over de wijze waarop de buit/het voordeel was verdeeld. Er volgde oplegging van een hoofdelijke betalingsverplichting.

De Hoge raad achtte dit onvoldoende gemotiveerd. Er is méér nodig dan alleen de vaststelling dat er sprake is van medeplegen én dat de veroordeelden geen inzicht hebben willen geven over de verdeling. Zoals uit de hierboven aangehaalde arresten blijkt moet er sprake zijn van een ‘gemeenschappelijk voordeel’ waar iedere betrokkene over heeft kunnen beschikken. Daarover had het hof niets overwogen.

Ook in een meer recente uitspraak van 4 december 2018 sneuvelde een uitspraak van een hof. Het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden had het wederrechtelijk verkregen voordeel geschat op € 102.304,00. Omdat er sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking met de medeveroordeelde, legde het hof een hoofdelijke betalingsverplichting op. De Hoge Raad stelde dat dit oordeel ontoereikend was gemotiveerd. Het enkele feit dat er sprake is van medeplegen is onvoldoende voor een hoofdelijke betalingsverplichting.

Conclusie AG 12 februari 2019

Het meest recente voorbeeld is een geval waarin de Hoge Raad nog geen uitspraak heeft gedaan, maar waarin de Advocaat Generaal op 12 februari 2019 een interessante conclusie heeft geschreven. Het Gerechtshof Den Haag had betrokkene samen met een aantal anderen veroordeeld voor de invoer van cocaïne, verstopt in een brandblusser. Uit tapgesprekken bleek dat er in een eerder stadium vermoedelijk twee brandblussers met cocaïne succesvol Nederland waren ingevoerd. Op grond daarvan werd aan betrokkene en zijn medeveroordeelden een hoofdelijke betalingsverplichting opgelegd van € 129.055,76 ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel.

De AG meent dat het hof dit oordeel nader had moeten motiveren. Immers: uit de uitspraak kon niet worden afgeleid dat het volledige wederrechtelijk verkregen voordeel als gemeenschappelijk voordeel kon worden aangemerkt waarover zowel de betrokken veroordeelde als zijn mededader(s) hebben kunnen beschikken.

Kortom: de AG past de eerder genoemde jurisprudentie van de Hoge Raad toe. Het enkele feit dat er sprake is van medeplegen is onvoldoende. Er moet sprake zijn van een gemeenschappelijk voordeel waarover ieder van de daders moet hebben kunnen beschikken. De rechter moet zo’n oordeel ook motiveren. Daarnaast kan hoofdelijke aansprakelijkheid pas aan de orde komen indien de veroordeelde geen nadere gegevens heeft willen verschaffen over de verdeling.

Misschien ook interessant:

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *