uitspraak strafrechter: vrijspraak
J. van Breukelen Geen reacties

Als er een vermoeden van een strafbaar feit is, dan wordt de verdachte vervolgd en moet hij voor de strafrechter verschijnen. Op zitting volgt een onderzoek waarin de strafzaak wordt behandeld en alle feiten worden onderzocht. De rechter heeft als doel om te oordelen of een verdachte het strafbare feit heeft gepleegd. Vervolgens komt de strafrechter tot een uitspraak. Dit kan zijn: vrijspraak, ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR) of een veroordeling. Wat is eigenlijk het verschil tussen al deze uitspraken? In dit artikel worden de verschillen uitgelegd en leest u wat voor een invloed dat heeft op de soort straf die u kunt krijgen.

Waar staan de regels?

De regels over de uitspraak van de strafrechter staan in het Wetboek van Strafvordering. Hierin staan alle regels over het strafproces. Specifieker staan de regels in de artikelen 345 tot en met 366b van het Wetboek van Strafvordering.

Hoe komt de strafrechter tot een uitspraak?

Voordat de strafrechter tot een uitspraak komt, moet hij eerst een aantal vragen beantwoorden. Dit gebeurt via een vaste procedure: het zogenoemde rechterlijk beslissingsschema. Dit vormt de basis voor de beslissing van de rechter in een strafzaak. Daarmee wordt onder andere onderzocht of de verdachte strafbaar is en of er voldoende bewijs is om tot een veroordeling te komen.

Het rechterlijk beslissingsschema uit de artikelen 348 en 350 van het Wetboek van Strafvordering bestaat uit vier voorvragen (‘formele vragen’) en vier hoofdvragen (‘materiële vragen’).

Voorvragen

Bij de vier voorvragen worden de procedurele kwesties behandeld. De voorvragen zijn:

  • is de dagvaarding geldig? (staat de juiste verdachte erop? Is duidelijk genoeg omschreven wat de verdenking is?);
  • ligt de zaak bij de bevoegde rechter? (juiste locatie? kantonrechter of politierechter?);
  • is de officier van justitie ontvankelijk? (is de zaak bijv. verjaard); en
  • zijn er redenen om de vervolging te schorsen? (dit komt zelden voor).

Als er geen belemmeringen zijn, kan de rechter verder gaan met de hoofdvragen.

Hoofdvragen

De vier hoofdvragen uit artikel 350 van het Wetboek van Strafvordering gaan over de inhoudelijke element van de strafzaak. De hoofdvragen zijn:

  • is het tenlastegelegde feit bewezen? (is er genoeg wettig en overtuigend bewijs voor hetgeen ten laste is gelegd?);
  • levert het bewezenverklaarde een strafbaar feit op?
  • is de dader strafbaar? (of is hij of zij bijvoorbeeld ontoerekeningsvatbaar)
  • welke straf is passend? (gevangenisstraf of geldboete?)

De uitspraken van de strafrechter die mogelijk zijn op basis van de formele vragen staan in artikel 349 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering. Als het antwoord op de eerste drie hoofdvraag positief is, dan wordt een verdachte veroordeeld. Hij of zij krijgt dan op grond van artikel 351 van het Wetboek van Strafvordering een straf of maatregel opgelegd. In artikel 9 van het Wetboek van Strafrecht staan de soorten straffen die een rechter op kan leggen. Denk aan een gevangenisstraf of geldboete.

Ook is mogelijk dat een verdachte niet wordt veroordeeld, maar dat er een vrijspraak of een ontslag van alle rechtsvervolging (hierna: OVAR) volgt. Bij vrijspraak en OVAR kan de rechter geen straf opleggen. Er is dan onvoldoende bewijs óf de verdachte is om uiteenlopende redenen niet strafbaar. Deze uitspraken zijn geregeld in artikel 352 van het Wetboek van Strafvordering. Bij ontslag van alle rechtsvervolging kan de rechter overigens nog wel een maatregel (zoals TBS) opleggen.

Tot slot kan de rechter een zogenaamd rechterlijk pardon uitspreken.

Wat is vrijspraak?

Vrijspraak volgt als niet bewezen kan worden dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Het ten laste gelegde feit is het strafbare feit dat op de dagvaarding staat. Daarin staat gedetailleerd omschreven welk strafbaar feit de verdachte wordt verweten.

Tenlastelegging

De rechter is bij beantwoording van de vraag ‘of het bewezen is dat het ten laste gelegde feit door de verdachte is gepleegd’ gebonden aan de tenlastelegging. Als de ten laste gelegde gedraging niet heeft plaatsgevonden dan moet de verdachte vrij worden gesproken. De verdachte staat namelijk alleen terecht voor wat hem ten laste is gelegd. 

Laten we als voorbeeld iemand nemen die wordt verdachte van een winkeldiefstal bij Albert Heijn. Het strafbare feit diefstal is neergelegd in artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht. De tekst van het wetsartikel is als volgt:

“Hij die enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort wegneemt, met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, wordt, als schuldig aan diefstal, gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vierde categorie.”

Een tenlastelegging zou er dan zo uit kunnen zien:

“zij op of omstreeks 7 april 2021 in de gemeente Alkmaar met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in of uit een winkel gelegen aan de Stationsweg aldaar heeft weggenomen (fris)drank en/of mondwater (Listerine) en/of een of meer (ander(e)) goed(eren), geheel of ten dele toebehorende aan Albert Heijn ToGo, in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte.”

Omdat de rechter moet vasthouden aan de tenlastelegging is het mogelijk dat de verdachte wordt vrijgesproken, ondanks dat hij een strafbaar feit heeft gepleegd. Stel dat er in de tenlastelegging staat dat een diefstal is gepleegd in Arnhem. In werkelijkheid is deze in Amsterdam gepleegd. Er kan dan niet worden bewezen dat de verdachte een diefstal in Arnhem heeft gepleegd. Er moet dan vrijspraak volgen. De diefstal in Amsterdam is niet aan de verdachte ten laste gelegd.

Elk deel uit de tenlastelegging moet aan de hand van bewijsmiddelen worden bewezen. Zodra iets uit een tenlastelegging niet bewezen kan worden, moet er een vrijspraak volgen.

Overtuiging

Tot slot volgt uit artikel 388 van het Wetboek van Strafvordering dat de rechter overtuigd moet zijn van het bewijs. Als een rechter ondanks alle bewijsmiddelen niet overtuigd is dat de verdachte het feit heeft gepleegd, dan moet de rechter de verdachte vrijspreken. De rechter moet dus én genoeg bewijsmiddelen hebben én overtuigd zijn van het bewijs dat de verdachte het strafbare feit heeft gepleegd. Dit heet samen ook wel ‘wettig en overtuigend bewijs’.

Wat is ontslag van alle rechtsvervolging (OVAR)?

Bij ontslag van alle rechtsvervolging is het ten laste gelegde feit wel bewezen, maar is het gepleegde feit of de verdachte is niet strafbaar. De verdachte heeft het dus wel gedaan, maar:

  • het feit (de daad) is niet strafbaar; of
  • de verdachte is niet strafbaar.

Feit niet strafbaar

Een feit kan niet strafbaar zijn omdat er bijvoorbeeld sprake is van een rechtvaardigingsgrond. De gedraging van de verdachte is dan niet langer in strijd met het recht.

Dit is bijvoorbeeld het geval bij zelfverdediging. Omdat het feit bewezen is verklaard kan de rechter de verdachte niet vrijspreken. Maar doordat de daad niet strafbaar is, is een veroordeling ook niet eerlijk. De uitspraak van de strafrechter is dan: ontslag van alle rechtsvervolging.

Een bewezenverklaarde gedraging kan ook niet strafbaar zijn omdat het niet valt onder een wettelijke strafbepaling. Als er bijvoorbeeld bewezen zou zijn verklaard dat ‘de verdachte op een fiets op een fietspad heeft gereden’, dan zal de rechter moeten concluderen dat er geen enkele strafbepaling is waarin staat dat dit verboden is. Er volgt dan een ontslag van alle rechtsvervolging.

Verdachte niet strafbaar

Ontslag van alle rechtsvervolging kan ook volgen als het gepleegde feit wel strafbaar is gesteld en in strijd is met het recht, maar het niet de schuld is van de verdachte. De verdachte kan namelijk een beroep doen op een schulduitsluitingsgrond. De gedraging van de verdachte is strafbaar, maar het valt de verdachte niet te verwijten. 

Denk bijvoorbeeld aan een taxichauffeur die door een klant met een pistool wordt gedwongen om door rood te rijden. Door rood rijden is strafbaar gesteld. De taxichauffeur kon niets doen aan zijn gedraging. Hij heeft het wel gedaan, maar enkel door de druk van een ander. 

Ook hier kan het feit bewezen worden verklaard. De rechter kan daarom niet vrijspreken. Maar omdat de verdachte niet strafbaar is, is een veroordeling ook niet eerlijk. De uitspraak van de strafrechter is dan: ontslag van alle rechtsvervolging.

Wat is een rechterlijk pardon?

In uitzonderlijke situaties kan het zo zijn dat aan alle vereisten voor een straf wordt voldaan, maar er toch geen straf volgt. Er is dan een strafbaar feit waarvoor bewijs is en de verdachte is ook strafbaar. Toch kan een rechter oordelen dat een straf niet gepast is. Men noemt dat een rechterlijk pardon. Het staat omschreven in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht.

Een rechter is namelijk niet verplicht om een straf op te leggen. Volgens de wet kan een strafrechter een rechterlijk pardon uitspreken als:

  • het strafbaar feit niet heel ernstig is;
  • er bijzondere persoonlijke omstandigheden bij de dader zijn; of
  • er bijzondere omstandigheden zijn.

Een voorbeeld hiervan is het volgende. Een vrouw van 80 jaar rijdt een fietser aan. De fietser loopt ernstige verwondingen op. De vrouw is zo geschrokken dat ze besluit haar rijbewijs in te leveren en auto te verkopen. Toch moet de vrouw voor de rechter komen. Gezien haar oude leeftijd en het feit dat ze haar rijbewijs al heeft ingeleverd, heeft een straf geen nut. De uitspraak van de strafrechter luidt dan: schuldigverklaring zonder straf (rechterlijk pardon).

De veroordeling: welke straf of maatregel kan een rechter opleggen?

Als laatste volgt de vraag welke straf of maatregel moet worden opgelegd. Een straf heeft als doel vergelding en het voorkomen van strafbare feiten. Een maatregel is gericht op herstel en bescherming van de maatschappij. Denk aan de schadevergoedingsmaatregel of TBS. De straffen die het Wetboek van Strafrecht kent staan in artikel 9. Er zijn vier verschillende hoofdstraffen: de gevangenisstraf, hechtenis, taakstraf en geldboete. De maatregelen staan in de artikelen 36a t/m 36f van het Wetboek van Strafrecht. Ook kan een strafrechter in zijn een uitspraak een bijkomende straf opleggen, zoals verbeurdverklaring.

Gevangenisstraf of hechtenis

Er zijn twee vrijheidsbenemende straffen: de gevangenisstraf en de hechtenis. De zwaarste straf die een rechter kan opleggen is de gevangenisstraf. Die wordt opgelegd bij misdrijven. Een gevangenisstraf kan tijdelijk (max. 18 jaar) of levenslang zijn. 

Hechtenis wordt opgelegd bij overtredingen en enkele misdrijven. De maximale straf voor hechtenis is één jaar. Het is een minder zware straf van de gevangenisstraf.

Taakstraf 

Een taakstraf wordt opgelegd bij misdrijven waarop een vrijheidsbenemende straf of geldboete staat of overtredingen waarop een vrijheidsbenemende straf staat. Taakstraffen mogen niet worden opgelegd bij ernstige zedendelicten of geweldsmisdrijven, althans niet zonder dat er ook een vrijheidsstraf wordt opgelegd.

Bij een taakstraf moet een veroordeelde onbetaalde arbeid verrichten. Een taakstraf kan voor maximaal 240 uur worden opgelegd. De rechter neemt in zijn vonnis op dat als een taakstraf niet of onvoldoende wordt uitgevoerd er vervangende hechtenis kan worden opgelegd. Dit kan maximaal vier maanden duren.

Geldboete 

De hoogte van de geldboete staat opgenomen in artikel 23 van het Wetboek van Strafrecht. Bij het opleggen van een geldboete houdt de rechter rekening met de financiële situatie van de veroordeelde. De veroordeelde wordt gestraft met een boete die passend is en tegelijk het vermogen van die persoon niet onevenredig treft. Als de volledige betaling van de geldboete uitblijft, wordt er vervangende hechtenis toegepast. De veroordeelde wordt dan van zijn vrijheid beroofd. De vervangende hechtenis kan bij een geldboete maximaal één jaar duren.

Bijkomende straffen

De wet kent ook drie bijkomende straffen. Deze worden opgelegd in combinatie met een hoofdstraf. De bijkomende straffen zijn:

  • ontzetting uit bepaalde rechten (bijv. stemrecht);
  • verbeurdverklaring (bijv. wapen); en
  • openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak (bijv. bij bedrijven). 

Als strafbare feiten worden gepleegd in de uitoefening van een beroep, dan kan dat tot gevolg hebben dat de veroordeelde persoon het recht niet meer krijgt om dat beroep uit te oefenen. Ontzetting uit bepaalde rechten mag alleen als dat specifiek in wet staat.

Verbeurdverklaring houdt in dat een voorwerp van de verdachte wordt afgepakt. Denk aan wapens of een vluchtauto die bij een overval zijn gebruikt.

Als laatste bijkomende straf kan de rechter de uitspraak openbaar maken. Dit tast de veroordeelde in zijn goede naam aan. Dat gebeurt vooral bij bedrijven.

Maatregelen

Als een veroordeelde verminderd ontoerekeningsvatbaar is kan de rechter naast een gevangenisstraf de vrijheidsontnemende maatregel van TBS opleggen. Dit kan als er sprake is van een strafbaar feit waar vier of meer jaar is opgesteld en wanneer het vereist is voor de veiligheid van anderen.

Ook kan de schadevergoedingsmaatregel worden opgelegd. Dat kan gebeuren als de rechter een verzoek tot schadevergoeding van een slachtoffer toewijst. Lees daar meer over in dit artikel.

Vragen?

Heeft u advies nodig over een uitspraak van de strafrechter of is uw vraag door deze informatie niet beantwoord? Neem dan contact op met ons kantoor voor een vrijblijvend gesprek.

Ook interessant:

Dit artikel werd bijgewerkt op 19 oktober 2021

Geef een antwoord

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *