Het strafblad (justitiële documentatie)

26 juli 2011

Cliënten stellen nogal eens de vraag of zij een strafblad krijgen als gevolg van het strafbare feit waarvan zij verdacht worden of veroordeeld zijn.

Hetgeen in de volksmond het ‘strafblad’ heet, wordt officieel de ‘justitiële documentatie’ genoemd. De regels hierover zijn terug te vinden in de ‘Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens’ en het daarvan afgeleide ‘Besluit justitiële gegevens’.

Omdat er per 1 oktober 2010 het nodige is veranderd in de wetgeving, volgt hierbij een overzicht van de regels:*

Wanneer krijgt u een strafblad?

Voor de beantwoording van deze vraag is het belangrijk een onderscheid te maken tussen misdrijven en overtredingen. Of een bepaald delict een misdrijf of een overtreding is, wordt bepaald door de wet. In het algemeen kan gezegd worden dat de wat ernstiger delicten misdrijven zijn en de rest overtredingen.

Voorbeelden van misdrijven zijn: diefstal, belediging, mishandeling, valsheid in geschrifte, openlijke geweldpleging en het kweken van hennep.

Voorbeelden van overtredingen zijn: verboden naaktrecreatie, niet verschijnen als getuige, geen aangifte doen van een geboorte, lichte verkeersdelicten en openbare dronkenschap.

Voor misdrijven zijn de regels simpel. U krijgt een aantekening op uw justitiële documentatie vanaf het moment dat u wordt verdacht van een misdrijf en de zaak in behandeling is genomen door het Openbaar Ministerie. Wanneer de zaak vervolgens is afgedaan wordt de wijze van afdoening of de uitspraak vermeld op het strafblad.

Dit betekent ten eerste dat ook een schikking (transactie) met het Openbaar Ministerie op het strafblad wordt vermeld. Het is dus niet zo dat u een strafblad kunt voorkomen door een transactievoorstel (bijvoorbeeld het betalen van een boete) te voldoen. U voorkomt daarmee uitsluitend dat u voor de rechter moet komen.

Daarnaast betekent dit dat ook een vrijspraak of een sepot worden vermeld op het strafblad. Er staat dus op papier dat u ooit verdachte bent geweest van het betreffende misdrijf: ook al bent u nooit vervolgd, ook al bent u vrijgesproken. Hierop is slechts één uitzondering: als de zaak is geseponeerd omdat u ten onrechte als verdachte bent aangemerkt (sepotcode 01).

Voor overtredingen ligt het iets anders. Hiervoor komt slechts een aantekening op uw justitiële documentatie vanaf het moment dat het Openbaar Ministerie een beslissing heeft genomen over de afdoening van de zaak. Hierop zijn drie uitzonderingen:

  • er wordt een strafbeschikking opgelegd van minder dan € 100,00;
  • de zaak wordt geseponeerd zonder bijzondere voorwaarden; en
  • de rechter legt een geldboete op van minder dan € 100,00.

Ondanks bovenstaande hoofdregel volgt altijd een aantekening voor de volgende overtredingen:

  • overtredingen betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen;
  • overtredingen betreffende de openbare orde;
  • overtredingen inzake fraude;
  • openbare dronkenschap;
  • ambtsovertredingen;
  • overtredingen van de Wet op de economische delicten
  • geen aansprakelijkheidsverzekering afsluiten voor een motorrijtuig;
  • rijden zonder geldig rijbewijs;
  • meer dan 30 km/h te hard rijden;
  • meer dan 25 km/h te hard varen;
  • overtredingen van de Vreemdelingen;
  • overtredingen van de Wet Wapens en Munitie;
  • overtredingen van de Drank- en Horecawet;
  • overtredingen van de Flora- en faunawet.

Wanneer wordt ‘het strafblad’ verwijderd?

Ook hiervoor wordt een onderscheid gemaakt tussen misdrijven en overtredingen.

Voor misdrijven zijn de regels vrij ingewikkeld. Er wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen lichte misdrijven, zware misdrijven en zedenmisdrijven. Daarnaast kan de termijn voor het bewaren van het strafblad in bepaalde gevallen worden verlengd en geldt er een uitzondering voor levenslange gevangenisstraf of wanneer een maatregel zoals TBS langer dan 40 jaar zou duren.

Bij lichte misdrijven (feiten waarvoor u volgens de wet minder dan 6 jaar kunt krijgen) wordt het strafblad in principe verwijderd als er 20 jaar zijn verstreken na de einduitspraak of na het volledig voldoen van de strafbeschikking. In ieder geval worden de gegevens 12 jaar na het overlijden van de betrokkene verwijderd. Ook worden de gegevens verwijderd als het feit verjaard is.

Bij zware misdrijven (feiten waarvoor u volgens de wet minimaal 6 jaar kunt krijgen) wordt het strafblad in principe verwijderd als er 30 jaar zijn verstreken na de einduitspraak of na het volledig voldoen van de strafbeschikking. In ieder geval worden de gegevens 20 jaar na het overlijden van de betrokkene verwijderd. Ook worden de gegevens verwijderd als het feit verjaard is.

Bij zedenmisdrijven worden de gegevens pas na 80 jaar verwijderd, ongeacht of het feit verjaard is.

Verlenging en uitzonderingen:

De termijn wordt met 20 jaar (lichte misdrijven) respectievelijk 30 jaar (zware misdrijven) verlengd als er een nieuwe veroordeling volgt voor een ander feit.

De termijn van 30 jaar voor zware misdrijven wordt verlengd met 20 jaar als de duur van de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel (bijvoorbeeld TBS) langer duurt dan 20 jaar.

Wordt er levenslange gevangenisstraf opgelegd of duurt de vrijheidsbenemende maatregel langer dan 40 jaar, dan worden de gegevens pas na 80 jaar vernietigd.

Voor overtredingen zijn de regels eenvoudiger. Justitiële gegevens van overtredingen worden verwijderd na verloop van de volgende termijnen:

  • 5 jaar na de einduitspraak of na het volledig betalen van een strafbeschikking;
  • 10 jaar na de einduitspraak of na het volledig voldoen van een strafbeschikking indien er een vrijheidsstraf of een taakstraf is opgelegd;
  • 2 jaar na het overlijden van de betrokkene;
  • na het verjaren van de overtreding.

Is er een verschil voor minderjarigen?

Nee, deze regels zijn eveneens van toepassing op minderjarigen. Wel is het zo dat gegevens van minderjarigen minder snel worden verstrekt aan andere instanties dan de rechterlijke macht. Bovendien kan er pas een strafblad worden gegeven voor strafbare feiten die zijn begaan nadat iemand 12 jaar geworden is. Ook een HALT afdoening komt niet op het strafblad.

Krijg ik geen verklaring van goed gedrag zolang ik een strafblad heb?

Dat hoeft niet. Voor het verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag gelden andere regels en (kortere) termijnen. Bovenstaande regels hebben uitsluitend betrekking op het opslaan van gegevens over strafbare feiten in de justitiële documentatie.

 

 

*Belangrijk: om de regels zo begrijpelijk en duidelijk mogelijk uit te leggen, zijn sommige details in de regelgeving weggelaten. Bovendien is wetgeving altijd aan verandering onderhevig. Aan dit artikel kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. Als u absolute zekerheid wilt hebben over de status van uw strafblad dan kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij zoeken het graag voor u uit.

De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)

26 juli 2011

Cliënten stellen vaak de vraag of ze door hun strafblad nog een verklaring van goed gedrag kunnen krijgen. Hoewel het antwoord op deze vraag altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, wordt in dit artikel een overzicht gegeven van de regels.*

Regelgeving

Officieel gaat het om de Verklaring Omtrent het Gedrag, afgekort de: VOG. Indien een dergelijke verklaring wordt gewenst, dient deze te worden aangevraagd bij de gemeente. De aanvraag zal vervolgens worden beoordeeld door het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG), gevestigd in Den Haag.

De relevante wetgeving is neergelegd in de artikelen 28 t/m 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De toepassing van deze regels is verder uitgewerkt in enkele beleidsregels.

Met welke gegevens wordt rekening gehouden?

Bij de beoordeling van een aanvraag van een VOG wordt rekening gehouden met alle gegevens die op de justitiële documentatie (strafblad) staan. Daaronder zijn begrepen veroordelingen, maar ook schikkingen, openstaande zaken en sepots. Alleen met vrijspraken mag geen rekening worden gehouden.

Hoe lang heb ik last van een strafblad?

Dit hangt af van de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd en van het soort delict(en) op het strafblad.

Voor de meeste functies geldt een zogenaamde terugkijktermijn van 4 jaar. Dit betekent dat de VOG zal worden afgegeven als er in de 4 jaar vóór de aanvraag geen justitiële gegevens worden aangetroffen. Wordt er binnen de terugkijktermijn wél justitiële documentatie gevonden, dan kan direct verder worden teruggekeken in de tijd en mag alle documentatie in de beoordeling worden betrokken.

Daarbij is overigens van belang dat wordt gekeken naar de datum van de veroordeling, de strafbeschikking of de schikking met het Openbaar Ministerie. Er wordt dus niet gekeken naar de datum waarop het feit is begaan.

Als u bijvoorbeeld op 5 januari 2009 een winkeldiefstal hebt begaan, maar daarvoor pas op 24 november 2010 bent veroordeeld, dan loopt de termijn van 4 jaar dus van 24 november 2010 tot en met 24 november 2014.

Dit is slechts anders als tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling of de datum van de strafbeschikking of schikking meer dan 2 jaar zijn verstreken. In die gevallen wordt geteld vanaf de pleegdatum.

De terugkijktermijn is meer dan 4 jaar in de volgende gevallen:

  1. Het gaat om een functie met hoge integriteitseisen (zie hieronder);
  2. De aanvraag hangt samen met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen of waarin de termijn samenhangt met de duur van een vergunning. Dit geldt bijvoorbeeld in de taxibranche (5 jaar), het beroepsgoederenvervoer (5 jaar) of voor het verkrijgen van een wapenvergunning (8 jaar);
  3. Voorafgaand aan de aanvraag is een gevangenisstraf of vrijheidsbeperkende maatregel zoals TBS ondergaan. In dat geval wordt de terugkijktermijn telkens vermeerderd met de tijd dat men vast heeft gezeten. Het gaat er om dat de periode van de terugkijktermijn in vrijheid is doorgebracht; en
  4. Indien er op de justitiële documentatie zedenzaken staan, dan geldt een onbeperkte terugkijktermijn.

Een aantal functies met hoge integriteitseisen (punt 1) waarvoor langere termijnen gelden:

  • tolk / vertaler (10 jaar)
  • politieke ambtsdragers zoals leden van de tweede kamer of wethouders (10 jaar)
  • buitengewoon opsporingsambtenaren (10 jaar)
  • opsporingsambtenaren werkzaam bij een bijzondere opsporingsdienst (10 jaar)
  • personen werkzaam bij de diplomatieke dienst (10 jaar)
  • personen werkzaam bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (10 jaar)
  • personen die werkzaam zijn bij een kerncentrale of een militaire basis (10 jaar)

Wat gebeurt er als er in de terugkijktermijn een delict op mijn strafblad staat?

In dat geval zal het COVOG verder terugkijken in het verleden en bezien of er nog meer strafbare feiten voorkomen. Vervolgens zal worden beoordeeld of de gevonden gegevens een belemmering zijn voor het afgeven van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Daarbij wordt een objectief criterium en een subjectief criterium gebruikt. Het objectieve criterium heeft betrekking op de vraag of herhaling van het strafbare feit een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het subjectieve criterium heeft betrekking op het belang van de aanvrager. Soms weegt het belang van de aanvrager om een VOG te ontvangen zwaarder dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico.

Het voert te ver om de toepassing van deze criteria hier uitgebreid te bespreken. Relevant is dat het feit dat u een delict op uw strafblad hebt staan binnen de terugkijktermijn niet per se hoeft te betekenen dat u geen VOG zult ontvangen. Soms kan een aanvraag toch zinvol zijn.

 Wat kan ik doen als de aanvraag om een VOG wordt geweigerd?

U zult in zo’n geval altijd eerst een voornemen tot weigering ontvangen. Dit is een brief waarin staat dat men voornemens is de VOG niet af te geven en waarom niet. U krijgt dan de gelegenheid om daar op te reageren door het indienen van een zogenaamde ‘zienswijze’.

Vervolgens zal men voor de definitieve beslissing rekening moeten houden met deze zienswijze. Volgt er alsnog een afwijzing, dan kunt u daar bezwaar tegen maken. Tegen een ongegrondverklaring van het bezwaar kunt u vervolgens in beroep bij de bestuursrechter.

Indien u een voornemen tot afwijzing ontvangt is het van groot belang dat u zo snel mogelijk contact opneemt met ons kantoor. Doorgaans kan met het indienen van een zienswijze namelijk meer worden bereikt dan met het indienen van een bezwaarschrift. Een zienswijze moet binnen 2 weken worden ingediend.

Wordt mijn werkgever ingelicht over mijn strafblad?

Nee. Als u van uw werkgever een VOG moet overleggen, zal het COVOG uitsluitend met u corresponderen. Uw werkgever wordt niet op de hoogte gesteld van het weigeren van de VOG en er wordt desgevraagd ook niets medegedeeld over de redenen van het weigeren daarvan.

 

*Belangrijk: om de regels zo begrijpelijk en duidelijk mogelijk uit te leggen, zijn sommige details in de regelgeving weggelaten. Bovendien is wetgeving en beleid altijd aan verandering onderhevig. De hierboven omschreven regels waren in ieder geval geldig op het moment van schrijven van dit artikel. Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend. Indien u zekerheid wilt neem dan contact op met ons kantoor.

Voorwaardelijk opzet op bezit kinderporno

10 november 2010

In de nieuwsbrief strafrecht van deze maand staat een uitspraak van de rechtbank Almelo die ik nogal opvallend vond (Rb. Almelo 3 augustus 2010, NbSr 2010, 305).

Het ging in die zaak (ondermeer) om het bezit van kinderporno. De verdediging had het (overigens veel gevoerde) verweer gevoerd dat de verdachte de kinderpornobestanden per ongeluk had gedownload en direct na het ontdekken ervan had verwijderd.

Ter beantwoording van de vraag of de verdachte de verwijderde bestanden in zijn bezit heeft gehad, kwam de rechtbank met het volgende oordeel:

‘Het is een feit van algemene bekendheid dat documenten die men “delete” of die men naar de prullenbak verplaatst, nog op de harde schijf van de computer aanwezig blijven, ook nadat men de prullenbak heeft “geleegd”. Degene die een document aldus weg wil maken, moet zich er dus van bewust zijn, dat dit op de genoemde manieren niet volledig zal lukken. Met andere woorden, hij moet zich ervan bewust zijn dat alles of tenminste een deel van alles wat hij wilde weg maken, op zijn harde schijf aanwezig blijft, en dat hij die documenten dus nog steeds in zijn bezit heeft. Men behoudt dus ten minste een voorwaardelijk opzet op het in bezit hebben van de verboden documenten. Dat de bestanden ook na het legen van de prullenbak nog op de computer zijn te traceren, had naar het oordeel van de rechtbank dan ook voor de verdachte duidelijk moeten zijn’.

Aan deze overweging valt op dat de rechtbank als ‘feit van algemene bekendheid’ aanneemt dat verwijderde documenten na het legen van de prullenmand nog steeds op de harde schijf staan. Los van de technische vraag of dat altijd zo is en of je dan nog wel kunt spreken van ‘documenten’, lijkt mij dit geen feit van algemene bekendheid. Mensen die veel van computers weten of die anderszins kennis dragen van wat ‘unallocated clusters’ zijn, is dit wellicht bekend, maar de vraag is of ook de doorsnee burger zoiets weet. Bij de vraag of iets een feit van algemene bekendheid is, is nog altijd de kennis van de gemiddelde man of vrouw op straat richtinggevend.

Dat de rechtbank dit niettemin als een feit van algemene bekendheid aanneemt had grote gevolgen voor de betreffende verdachte. Omdat de verdachte moest weten dat de bestanden ook na het legen van de prullenmand nog op zijn harde schijf stonden, heeft hij volgens de rechtbank ten minste voorwaardelijk opzet op het in bezit hebben van kinderporno.

Recentelijk hebben Lonneke Stevens en Bert-Jaap Koops een uitgebreid artikel over deze materie gepubliceerd in Delikt & Delinkwent (39/7 p. 669-696). Zij maken na uitgebreide bestudering van een groot aantal uitspraken een onderscheid tussen in bezit hebben (ex nunc) en in bezit hebben gehad (ex tunc). Van in bezit hebben gehad (ex tunc) kan slechts sprake zijn als dit blijkt uit de wil van de verdachte om de kinderporno destijds te verkrijgen. Daarbij kan met allerlei factoren rekening worden gehouden, zoals betaling, zoekopdrachten, bewerken of plaatsen in bepaalde mappen).

De rechtbank Almelo voert ondanks het gebruik van de woorden ‘in bezit hebben gehad’ feitelijk een ex nunc toets uit: heeft de verdachte de verwijderde kinderporno nog steeds in bezit omdat deze nog in de ‘unallocated clusters’ van de harde schijf staat?

Het stellen van deze vraag is op zichzelf gerechtvaardigd. Uit het onderzoek van Stevens en Koops blijkt echter dat in de jurisprudentie niet eerder was aangenomen dat aanwezigheid van kinderporno in de ‘unallocated clusters’ van de harde schijf opzettelijk bezit (ex nunc) oplevert. Volgens de rechtbank Arnhem (LJN BA1508) is dit slechts anders als de verdachte beschikt over speciale forensische software waarmee de verwijderde bestanden weer tevoorschijn kunnen worden gehaald. Heeft de verdachte dergelijke software niet, dan is er geen sprake (meer) van opzettelijk bezit.

De rechtbank Almelo wijkt van deze lijn af en stelt niet de eis dat de verdachte moet beschikken over speciale software om de verwijderde bestanden weer zichtbaar te maken. De uitspraak brengt dus met zich mee dat wanneer er per ongeluk of anderszins ongewenst een kinderpornografische afbeelding op de harde schijf terecht komt, je niet kunt volstaan met het verwijderen van deze afbeelding en het legen van de prullenmand. Volgens de rechtbank Almelo heb je vanaf dat moment namelijk ten minste (!) voorwaardelijk opzet op het bezit van kinderporno in de ‘unallocated clusters’ van de harde schijf, ook al zou je helemaal niets te maken willen hebben met kinderporno. Kennelijk eist de rechtbank dat je na zo’n incident speciale software aanschaft die alle vrijgekomen ruimte op de harde schijf vervangt door ‘schone’ enen en nullen.

De vraag is of dit wel een redelijke eis is. Het lijkt mij in ieder geval een reden voor hoger beroep.

Meer mogelijkheden voor bezwaar tegen DNA afname?

29 april 2010

Met enige verbazing heb ik kennis genomen van twee uitspraken in de laatste Nieuwsbrief Strafrecht betreffende de toepassing van de Wet DNA-onderzoek bij veroordeelden.

Gelet op de jurisprudentie van de Hoge Raad adviseer ik mijn cliënten in de meeste gevallen geen bezwaar te maken tegen de oproep DNA af te staan na een strafrechtelijke veroordeling wegens een geweldsmisdrijf. De wetgeving, die door de Hoge Raad strikt wordt toegepast, biedt maar weinig mogelijkheden voor een succesvol bezwaarschrift. Slechts als bijna onmogelijk is dat iemand nogmaals de fout in gaat, heeft een bezwaarschrift kans van slagen. De rechtbank Rotterdam stelt zich zelfs op het standpunt dat de Officier van Justitie in de meeste gevallen simpelweg verplicht is een bevel te geven tot het afnemen van celmateriaal.

De rechtbank Zutphen denkt daar echter anders over. In een uitspraak van 7 augustus 2009 (NbSr 2010, 157) speelde het geval dat de Officier van Justitie eerst een transactievoorstel had gedaan van 28 uur werkstraf. De betreffende verdachte had dit geweigerd, waarna de politierechter alsnog een werkstraf van gelijke duur had opgelegd.

De rechtbank overwoog dat de Officier van Justitie zich aanvankelijk in de positie had gebracht dat DNA afname niet mogelijk was. Dit kan immers alleen na een rechterlijke veroordeling. Door vervolgens ná de veroordeling toch een bevel tot afname te geven, ontstaat volgens de rechtbank het gevaar dat de gang naar de rechter wordt belemmerd. Een verdachte zou dan geneigd zijn het transactieaanbod maar te accepteren, omdat anders het risico bestaat dat hij of zij alsnog DNA moet afstaan.

In dit geval had de rechter eenzelfde straf opgelegd als de aangeboden schikking en was de feitelijke rechtspositie van de verdachte niet veranderd. Ondanks dat is de uitspraak in strijd met de strikte uitleg van de Hoge Raad en ook met een eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam (NbSr 2008, 362) waarin werd overwogen dat er geen ruimte is voor een generieke uitzondering voor de zaken waarin voorafgaand aan de veroordeling een transactie werd aangeboden.

Een tweede interessante uitspraak is die van de politierechter in Zwolle-Lelystad (10 februari 2010, NbSr 2010, 159). Hierin overwoog de politierechter dat de kans op recidive laag was en dat een bevel tot afname van DNA-materiaal achterwege had moeten blijven. Het ging om een eenvoudige mishandeling binnen de familiekring na een hoog opgelopen ruzie. Er werd een geheel voorwaardelijke werkstraf opgelegd en de verdachte was nooit eerder veroordeeld.

Ook deze laatste uitspraak gaat direct in tegen de vaste lijn in de rechtspraak. De gedachte van de wetgever is immers dat ook bij geweldsdelicten van geringe ernst een bevel tot afname van celmateriaal moet worden gegeven.

Met name de rechtbank Zutphen liet doorschemeren dat de wetgeving te weinig spelingsruimte voor rechters biedt. Soms leidt het volgen van de vaste lijn in de rechtspraak tot ongewenste situaties. Deze uitspraken laten zien dat het in dat soort gevallen toch zinvol kan zijn een bezwaarschrift in te dienen.

Hof Den Haag: ‘alle investeringskosten voor een hennepkwekerij kunnen worden afgetrokken’

31 maart 2010

Het Gerechtshof in Den Haag heeft op 2 februari 2010 een interessante uitspraak gedaan die van belang is voor mensen die moeten voorkomen voor het hebben van een hennepkwekerij. In dit soort strafzaken dient het openbaar ministerie namelijk vaak een zogenaamde ontnemingsvordering in. Dit betekent dat het openbaar ministerie wil dat de verdachte het geld dat met de kwekerij is verdiend, wordt terugbetaald aan de Nederlandse Staat.

Vaste rechtspraak is dat de investeringen die de verdachte heeft moeten doen om de wietkwekerij op te bouwen (bijvoorbeeld assimilatielampen, koolstoffilters, sproeisystemen en transformators) slechts beperkt kunnen worden afgetrokken van de berekende opbrengst. De gedachte is namelijk dat dit apparatuur is die jarenlang mee gaat, en dus per oogst dient te worden afgeschreven. Voor een gemiddelde kwekerij kan in de praktijk 200 euro per oogst worden afgetrokken. Deze praktijk is door de Hoge Raad goedgekeurd (HR 15 november 2005, LJN AU2230)

Het Hof Den Haag is echter een andere mening toegedaan. Volgens het Hof dienen de gemaakte investeringskosten in hun geheel te worden meegenomen bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel omdat dit kosten zijn die in directe relatie staan tot het delict en noodzakelijk waren voor het kunnen plegen van het delict.

Het openbaar ministerie heeft inmiddels cassatie ingesteld tegen deze uitspraak. Mocht de Hoge Raad de redenering van het Hof volgen, dan biedt dit een aanmerkelijke verbetering voor de positie van de verdachte. Naar mijn mening doet de gedachtegang van het Hof ook meer recht aan de werkelijkheid. Het gebeurt regelmatig dat een cliënt aantoonbaar één oogst heeft gehad, maar daarvoor wél 10.000 euro heeft moeten investeren aan apparatuur die door de politie in beslag is genomen en vernietigd. Het is cliënten vaak niet uit te leggen dat ze van hun investering maar 200 euro terug zien als aftrekpost.

In ieder geval is het  aan te raden altijd de facturen en bonnetjes te bewaren van aangeschafte apparatuur. Een rechter zal nooit bereid zijn de investeringskosten af te trekken als die niet keihard kunnen worden aangetoond.

Ruimte verhuren voor hennepkweek? Kijk uit!

14 maart 2010

Op kantoor komen zeer regelmatig cliënten die een garage, een loods of een zolderkamer hebben verhuurd aan andere personen die daar vervolgens een hennepkwekerij zijn begonnen. De betreffende cliënt is daar meestal mee akkoord gegaan in ruil voor een deel van de opbrengst.

De verleiding om op een dergelijk voorstel in te gaan is vaak erg groot, zeker omdat veel mensen denken dat het hebben van een wietkwekerij hooguit wordt bestraft met een taakstraf of een kleine geldboete.

De werkelijkheid is echter anders. Zodra een kwekerij wordt opgerold, wordt de geregistreerde huurder of eigenaar van het betreffende pand aangemerkt als verdachte. Zolang deze persoon geen gegevens van eventuele andere personen wil of kan geven, zal hij of zij altijd de enige verdachte blijven en voor de gevolgen moeten opdraaien.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn die gevolgen niet gering. Naast het moeten betalen van duizenden euro’s voor weggenomen elektriciteit en ontruimingskosten, volgt ook vaak een ontbinding van de huurovereenkomst.

Een jaar tot anderhalf jaar na het ontmantelen van de hennepkwekerij moet de verdachte voor de strafrechter verschijnen. Naast een dagvaarding voor overtreding van de Opiumwet en diefstal van elektriciteit, volgt in hennepzaken vrijwel altijd een ontnemingsvordering.

De ontnemingsvordering is een brief waarin staat dat het Openbaar Ministerie op basis van de zogenaamde ‘pluk ze’ wetgeving een bepaald bedrag terugvordert van de verdachte. Dit bedrag bestaat uit de illegale inkomsten die volgens de Officier van Justitie met de kwekerij zijn verdiend.

De meeste cliënten die een dergelijke vordering ontvangen zijn geschokt door de hoogte van het bedrag. Voor een kleine kwekerij op een zolderkamer waarvan bijvoorbeeld 2 of 3 oogsten zijn genoten, wordt al snel een bedrag gevraagd van 70 of 80 duizend euro. Gaat het een om een wat grotere kwekerij die een jaar gedraaid heeft, dan zijn bedragen van boven 200.000 euro niet ongebruikelijk.

Hoe komt men tot dit soort bedragen? De berekening is gebaseerd op vijf onderdelen:

  1. het aantal oogsten
  2. het aantal planten
  3. de opbrengst per plant in grammen hennep
  4. de verkoopprijs van een kilo hennep
  5. de kosten die voor aftrek in aanmerking komen

Onderdeel 1: het aantal oogsten

Het aantal oogsten van de hennepkwekerij wordt meestal geschat door een deskundige van de politie of van de energiemaatschappij. Als de stroom via de meter heeft gelopen kan achteraf vaak een redelijk nauwkeurige schatting worden gemaakt op basis van het energieverbruik. In de meeste gevallen volgt echter een vrij onnauwkeurige schatting op basis van de omstandigheden die men aantrof. Denk daarbij aan de hoeveelheid stof en kalkaanslag, de vervuiling van het koolstoffilter, productiedata op apparatuur en aangetroffen plantenresten.

Onderdeel 2: het aantal planten

In de ontnemingsberekening wordt altijd gerekend met het aantal planten dat werd aangetroffen toen de kwekerij werd ontruimd. Tenzij de verdachte het keihard kan aantonen, zal geen rekening worden gehouden met de stelling dat er bij eerdere oogsten minder planten stonden. Men gaat er vanuit dat de capaciteit van de kwekerij altijd volledig is gebruikt.

Onderdeel 3: de opbrengst per plant

In de meeste gevallen wordt de kwekerij werkend aangetroffen met de wietplanten in een bepaald groeistadium. Tenzij er reeds geknipte en gedroogde planten worden aangetroffen, kan dus niet worden vastgesteld hoeveel gram hennep de planten hebben opgeleverd.

Voor dat probleem heeft justitie echter een oplossing in de vorm van het zogenaamde BOOM (Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie)-rapport. In dit rapport wordt uitgelegd hoeveel gram een cannabisplant bij thuiskweek gemiddeld oplevert. Uit onderzoek is gebleken dat dit gemiddeld 28,2 gram bedraagt. In een ontnemingsberekening wordt deze opbrengst van 28,2 gram hennep per plant als uitgangspunt genomen.

Onderdeel 4: de verkoopprijs van een kilo hennep

De verkoopprijs van een kilo hennep die justitie gebruikt voor de berekening van de opbrengst, wordt doorgaans verkregen uit informatie van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise (NND) van de politie. Het NND doet onderzoek naar de ‘straatprijs’ van hennep, op basis van meldingen die men ontvangt. De prijs per kilo is de laatste jaren behoorlijk gestegen. Enkele jaren geleden werd een bedrag gehanteerd van 2.500 euro per kilo. Anno 2010 is een bedrag van tussen de 3.000 en 3.500 euro gebruikelijk.

Onderdeel 5: de kosten die voor aftrek in aanmerking komen

Hoewel voor het opbouwen van een kwekerij vaak investeringen moeten worden gedaan van duizenden euro’s, kunnen deze kosten niet volledig worden afgetrokken van de opbrengst. Het openbaar ministerie gaat er vanuit dat apparatuur zoals assimilatielampen en transformatoren jarenlang meegaan en dat per oogst slechts een klein bedrag aan afschrijving kan worden afgetrokken. Hoe groot dit bedrag is, hangt af van de omvang van de kwekerij. Gemiddeld kan per oogst een bedrag van 200 euro worden afgetrokken voor afschrijving van apparatuur.

Ook de kosten voor stekjes en verzorging van de planten kan worden afgetrokken. Hiervoor wordt standaard een bedrag van 4,40 euro per plant gerekend.

De kosten voor energieverbruik komen voor aftrek in aanmerking als de stroom via de meter heeft gelopen. Is de stroom gestolen, dan worden de kosten die men later heeft moeten terugbetalen aan de energiemaatschappij niet afgetrokken, althans niet in de berekening van justitie.

Voorbeeldberekening

Laten we als voorbeeld nemen een verdachte die op zolder een kleine kwekerij heeft gehad van 250 planten. De deskundige heeft vastgesteld dat er minstens 4 oogsten moeten zijn geweest en volgens het NND was de verkoopprijs 3.500 euro per kilo.

Het openbaar ministerie zal dan met de volgende berekening komen:

250 planten x 28,2 gram = 7050 gram, oftewel 7,05 kilo.

7,05 kilo x 3.500 euro = 24.675 euro bruto opbrengst.

De vaste kosten bedragen volgens het BOOM rapport 200 euro.

De variabele kosten zijn 250 x 4,40 euro = 1.100 euro.

De totale kosten zijn dus 200 + 1.100 = 1.300 euro.

24.675 euro (bruto opbrengst) – 1.300 euro (kosten) = 23.375 euro netto per oogst.

Totale opbrengst: 4 oogsten x 23.375 euro = 93.500 euro

Conclusie is dat een kleine en in de ogen van veel cliënten – onschuldige – kwekerij, grote gevolgen kan hebben. Zeggen dat de kwekerij (veel) minder opbrengst heeft gehad heeft weinig zin omdat de rechter in beginsel zelden zal afgaan op wat de verdachte zelf zegt.

Gelukkig kan een advocaat die ervaring heeft met hennepzaken vaak het nodige afdingen op de berekening van het openbaar ministerie. Hoeveel wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk zal worden vastgesteld door de rechter hangt in dit soort zaken ook vaak af van de geloofwaardigheid van wat de verdachte zelf zegt. Het is dus zaak daar goed advies over in te winnen, het liefst nog voordat een verklaring wordt afgelegd bij de politie.

Hoge Raad: ‘Sukkel’ en ‘Loser’ is beledigend

23 september 2009

Op 22 september 2009 heeft de Hoge Raad een uitspraak gedaan die van belang is voor het begrip ‘belediging’. 

Het ging in deze zaak om een Groningse studente die in 2005, in beschonken toestand, een groep politieagenten had uitgemaakt voor ‘sukkels, loosers, klootzakken en kankerlijers’. Zij werd zowel door de Politierechter als in hoger beroep door het Gerechtshof vrijgesproken. Het Gerechtshof overwoog dat duidelijk was dat de verdachte aangeschoten was en oordeelde dat van de agenten een zeker incasseringsvermogen mocht worden verwacht ten aanzien van dergelijke opmerkingen.

Het openbaar ministerie ging in cassatie tegen deze uitspraak en met succes. De Hoge Raad maakt namelijk korte metten met de gedachtengang van het Gerechtshof. Volgens de Hoge Raad is er sprake van belediging zodra een bepaalde uitlating de strekking heeft een ander aan te randen in zijn er en goede naam. Dat is al aan de orde zodra de uitlating woorden bevat die op zichzelf genomen een beledigend karakter hebben.

De omstandigheden waaronder de uitlatingen waren gedaan, zijn in dit geval van onvoldoende gewicht om daaraan het beledigend karakter te ontzeggen. De opvatting dat van politieagenten een zeker incasseringsvermogen mag worden verwacht, vindt volgens de Hoge Raad geen steun in het recht.

Voortaan recht op advocaat vóór politieverhoor

10 juli 2009

Op 30 juni 2009 heeft de Hoge Raad een zeer belangrijke uitspraak gedaan aangaande het recht van een verdachte om voorafgaand aan zijn verhoor met een advocaat (raadsman) te overleggen.

Volgens de Hoge Raad kan uit recente rechtspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens worden afgeleid dat een verdachte zonder uitzonderingen de gelegenheid moet worden geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie een advocaat te raadplegen.

Dit brengt volgens de Hoge Raad met zich mee dat een aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op dit recht. Binnen redelijke grenzen moet hem of haar ook de gelegenheid worden geboden dit recht te verwezenlijken. Met andere woorden: de politie moet het verhoor uitstellen tot dat de verdachte een advocaat heeft kunnen spreken.

Mocht dit recht door de politie worden geschonden, dan leidt dat volgens de Hoge Raad in principe tot uitsluiting van het aldus verkregen bewijs. Dus als de politie een verdachte niet wijst op het recht om een advocaat te spreken vóór het verhoor en de verdachte legt tijdens dit verhoor een bekentenis af, dan is deze bekentenis niet bruikbaar voor het bewijs. 

Helaas heeft de Hoge Raad ook bepaald dat uit de rechtspraak van het Europese Hof niet kan worden afgeleid dat een advocaat ook het recht heeft bij het verhoor aanwezig te zijn. Dit is anders voor minderjarige verdachten: deze hebben volgens de Hoge Raad recht op bijstand van een raadsman of ander vertrouwenspersoon tijdens het verhoor door de politie. 

De uitspraak vormt een gunstige ontwikkeling in de Nederlandse strafrechtpleging. Eindelijk is er duidelijkheid over de rechten van een verdachte ten aanzien van rechtsbijstand door een advocaat. Daarbij wordt, anders dan in een recente richtlijn van het College van Procureurs-Generaal, geen onderscheid gemaakt naar de ernst van het delict waar de verdenking betrekking op heeft. Ten slotte is het prettig dat de Hoge Raad niet te kinderachtig doet over het gevolg dat het niet naleven van de regels zou moeten hebben: bewijsuitsluiting. 

De achterstand van Nederland op dit gebied is hiermee voor een belangrijk gedeelte ingelopen, maar helaas nog niet helemaal. Niet valt namelijk in te zien waarom een advocaat niet bij het verhoor aanwezig zou mogen zijn. Dit geldt temeer bij zeer ernstige verdenkingen waar de belangen bij goede rechtsbijstand groot zijn. Dit voorkomt dat verdachten onnodig onder druk worden gezet en dit komt daarmee uiteindelijk de kwaliteit van de rechtspraak ten goede.

30 uur werkstraf voor drogen hennep

28 maart 2009

Het Gerechtshof in Leeuwarden heeft op 23 maart jl. een 43-jarige man veroordeeld tot een werkstraf van 30 uur voor het vervoeren van 165 hennepplanten naar de woning van zijn neef en de planten daar op te hangen om ze te laten drogen. 

Opvallend is dat het Hof expliciet overwoog dat deze gedragingen dermate ernstig waren dat er in principe een gevangenisstraf op had moeten volgen. 

Echter, omdat de verdachte de wietplanten niet zelf had geteeld (hij had ze slechts vervoerd en gedroogd) en hij geen strafblad had, is er een werkstraf van 30 uur opgelegd. 

De politierechter had in eerste aanleg naast deze taakstraf een voorwaardelijke gevangenisstraf opgelegd, maar dit vond het Gerechtshof niet nodig.

Bron: rechtspraak.nl uitspraak LJN BH7383

Gemiddelde straf voor hennepkwekerij

20 maart 2009

Advocatenkantoor Van Breukelen ontvangt bijna dagelijks de vraag wat voor straf er staat op het hebben van een hennepkwekerij. Het antwoord op die vraag is simpel: er staat geen vaste straf op.

De strafmaat voor het hebben van een wietkwekerij is afhankelijk van verschillende  factoren zoals het aantal planten, de duur van de periode waarin de kwekerij heeft gedraaid, de professionaliteit ervan, het al dan niet illegaal aftappen van stroom, het strafblad van de verdachte, zijn of haar persoonlijke omstandigheden en tenslotte de proceshouding op de zitting. 

Het grootste deel van de opgerolde kwekerijen betreft echter de eenvoudige thuisteler die maximaal 200 planten op zolder of in de kelder heeft staan en al snel wordt betrapt. Meestal zijn er een stuk of 4 oogsten geweest, soms minder, soms meer, soms viel de politie al binnen voordat er überhaupt geoogst was. 

Op basis van praktijkervaring kan gezegd worden dat het hebben van dit soort wietplantages door de politierechter wordt bestraft met een taakstraf van gemiddeld 80 à 100 uur op voorwaarde dat de verdachte  niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de opiumwet. Dit is met nadruk een gemiddelde, omdat de straffen soms hoger uitvallen. Bijvoorbeeld als het aantal planten of het aantal oogsten hoger lag, of wanneer er groot brandgevaar is ontstaan. 

Voor echt professionele kwekerijen in loodsen en bedrijfspanden, waar op grote schaal hennep wordt geteeld (de zogenaamde ‘wietfabrieken’), worden geen taakstraffen meer uitgedeeld. Daar volgt zonder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraf en vaak ook langdurige voorlopige hechtenis.

De grootste zorg voor de meeste cliënten die een hennepkwekerij hebben gehad is echter niet de taakstraf, maar de zogenaamde ontnemingsvordering. De Officier van Justitie gaat er vanuit dat er (veel) geld is verdiend met het kweken van wiet, en eist dat dit geld wordt terugbetaald aan de Nederlandse Staat. Dit wordt ook wel de ‘pluk ze’ maatregel genoemd. Het is dus géén straf of een boete, maar een maatregel die de hennepteler verplicht het verdiende geld terug te betalen aan de overheid. 

Omdat justitie doorgaans niet afgaat op wat de verdachte zelf verklaart over de hoeveelheid oogsten en de opbrengsten daarvan, volgt er een berekening. Men gaat er vanuit dat een cannabisplant gemiddeld 28,2 gram aan gedroogde hennep oplevert. Deze hoeveelheid wordt vermenigvuldigd met het aantal aangetroffen planten en het aantal oogsten dat door justitie aannemelijk wordt geacht. Vervolgens wordt gekeken naar de huidige straatwaarde van marihuana en komt men tot een vaak duizelingwekkend bedrag dat de verdachte dient terug te betalen. 

Bij de meest eenvoudige – kleine – thuiskwekerij eist justitie vaak al duizenden euro’s terug van de verdachte. Bij een wat grotere thuiskwekerij die wat langer heeft gedraaid, komt het bedrag al snel boven de 100.000 euro. 

Het is de taak van de advocaat / raadsman om deze geldvordering zo goed mogelijk te bestrijden. Gelukkig valt er vaak heel wat af te dingen op de berekening die door justitie is gemaakt. Deskundige rechtsbijstand kan de verdachte al snel tienduizenden euro’s schelen.