Verklaring Omtrent het Gedrag: een update van de cijfers

In 2014 schreef ik hier een kort artikel over hoe vaak een aanvraag van een VOG nou feitelijk wordt geweigerd. Toen bleek al dat van de vele aanvragen, er maar een heel klein gedeelte wordt geweigerd, en dat dit bij minderjarigen en jongeren tot 23 jaar zelfs nog lager ligt. Dit alles was gebaseerd op de cijfers van 2013.

Inmiddels zijn ook de gegevens van 2014, 2015 en 2016 bekend, dus het is tijd voor een kleine update. 

In 2013 werd 0,56 % van de aanvragen geweigerd. In 2014 en in 2015 was dit allebei 0,35 %. In 2016 is het weer iets gestegen naar 0,4 %. Hoe dan ook: het aantal weigeringen is en blijft veel lager dan veel mensen denken. 

Maar gelden deze lage percentages ook voor mensen met antecedenten op hun justitiële documentatie? Oftewel mensen met een strafblad? 

In 2013 werden er 109.325 VOG’s verstrekt aan mensen met een strafblad. Er werden er 4.141 geweigerd. Dit komt neer op een weigeringspercentage van 3,5 %. In 2014 was dit 2,2 %, in 2015 2,6 % en in 2016 2,4 %. Dus ook hier geldt: zelfs met een strafblad is er statistisch gezien nog een heel redelijke kans op de afgifte van een VOG. 

De afgifte is natuurlijk afhankelijk van allerlei omstandigheden, met name de ouderdom van de antecedenten, de aard van de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd en de persoonlijke omstandigheden van de aanvrager. 

Als we kijken naar mensen onder de 23 jaar dan liggen de percentages nog lager. Voor de eerste twee kwartalen van 2017 geldt voor deze groep aanvragers een algemeen weigeringspercentage van 0,23 %. Voor jongeren met antecedenten is dit 2,4 %. 

Op de website van de dienst Justis zijn geen cijfers gepubliceerd over het succespercentage van bezwaarschriften, maar zoals beschreven in het artikel uit 2014 bleek dat in 2013 maar liefst 27 % van de bezwaarschriften gegrond werd verklaard. Mijn ervaring is overigens dat het vaak niet eens tot een bezwaarschrift hoeft te komen. Vaak is een goed geschreven zienswijze al voldoende reden om alsnog een VOG te krijgen. Maar ook hier geldt: het is erg afhankelijk van de feiten en omstandigheden van het geval.

Toch voordeelontneming bij geripte hennepkwekerij?

Enkele weken geleden stond ik bij de rechtbank in Dordrecht een cliënt bij die verdacht werd van het gehad hebben van een hennepkwekerij. Het Openbaar Ministerie meende dat cliënt een aantal keren had geoogst en daar geld mee had verdiend. Er werd een aanzienlijk bedrag geëist ter ontneming van wederrechtelijk (illegaal) verkregen inkomsten.

Cliënt bekende dat hij de kwekerij had gehad. Hij stelde zich echter op het standpunt dat zijn hennepplanten - ongeveer een week vóórdat hij van plan was om te gaan oogsten - waren ‘geript’. Oftewel: anderen waren zijn kwekerij ingekomen en hadden de hennepplanten gestolen.

Namens cliënt heb ik ter zitting het standpunt ingenomen dat deze cyclus niet kon meetellen bij het berekenen van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Immers: cliënt had nooit enig voordeel gehad van deze cyclus: de planten waren gestolen voordat hij ze had kunnen oogsten en verkopen.

De jonge en fanatieke Officier van Justitie stelde zich echter op het standpunt dat het niet uitmaakte of de planten geript waren. Volgens hem was het voordeel al verkregen door het kweken en voorhanden hebben van de planten. De planten zijn immers geld waard en de planten zijn verkregen door een strafbaar feit: het kweken van de planten zelf. Ter onderbouwing van dit standpunt verwees de Officier van Justitie naar een uitspraak van de Hoge Raad van 24 november 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3364).

In de betreffende uitspraak heeft de Hoge Raad bepaald dat het telen van hennep een product oplevert dat als zodanig vermogenswaarde heeft en als daadwerkelijk behaald voordeel moet worden aangemerkt. Van belang is om op te merken dat het in die casus ging om gedroogde hennep. De henneptoppen die al van de planten waren afgehaald en waren gedroogd.

Deze uitspraak van de Hoge Raad borduurt verder op het ‘gestolen kobalt’ arrest van de Hoge Raad van 30 november 2004 (ECLI:NL:HR:2004:AR3721). Daar ging het om een verdachte die een partij kobalt had gestolen. Vervolgens was deze partij kobalt weer van hém (de dief dus) gestolen nog vóórdat hij het kobalt had kunnen verkopen. De Hoge Raad heeft in deze uitspraak bepaald dat zulks niet in de weg staat aan ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel: het voordeel was immers al verkregen en dat het later aan de dief is ontstolen is zijn eigen risico.

Voorafgaand aan het ‘gestolen kobalt’ arrest van 2004 heeft Advocaat-Generaal Vellinga een zeer lezenswaardige en leerzame conclusie geschreven (ECLI:NL:PHR:2004:AR3721). Hierin wordt de vraag aan de orde gesteld waar het nou feitelijk om gaat bij het ontnemen van voordeel. Gaat het enkel om het teniet doen van een verkregen voordeel? En zo ja, wat doen we dan met de verdachte die het behaalde voordeel zelf al teniet heeft gedaan? Naast verlies of diefstal kan de verdachte het voordeel inmiddels ook hebben uitgegeven of verspeeld.

Men zou zich op het standpunt kunnen stellen dat er alleen voordeel is als er sprake is geweest van enig genot. Reeds in 1996 (HR 9 januari 1996, NJ 1996, 305) heeft de Hoge Raad bepaald dat het voordeel zelfs uitsluitend kan bestaan in genot. Dus: als het geld is uitgegeven aan bijvoorbeeld vakanties en etentjes, dan is er sprake van voordeel dat kan worden ontnomen. Ook als het geld feitelijk niet meer in de portemonnee zit. Maar deze redenering zou eigenlijk tot de conclusie moeten leiden dat de dief die wordt bestolen van zijn buit, géén genot heeft gehad.

In de conclusie van Vellinga worden een aantal strafrechtgeleerden aangehaald die stellen dat er géén ontneming kan volgen als het verworven voordeel inmiddels teniet is gedaan door diefstal of verlies. Dit wordt mede gebaseerd op de wetgevingsgeschiedenis.

Vervolgens haalt Vellinga een aantal uitspraken aan waarop een andere conclusie kan worden gebaseerd. Bijvoorbeeld de veroordeelde die een deel van de opbrengst van zijn misdrijven had geïnvesteerd in drugs. De drugs waren vervolgens verbeurdverklaard en onttrokken aan het verkeer. De Hoge Raad heeft in dat geval bepaald dat dit niet leidt tot vermindering van het door hem verkregen voordeel (HR 8 juli 1998, NJ 1998, 841). In diezelfde uitspraak is bepaald dat verliezen, gelden ten gevolge van afpersing, geen kosten vormen die op het voordeel in mindering mogen worden gebracht. In een latere uitspraak werd bepaald dat het weggeven van illegaal verkregen voordeel niet leidt tot vermindering van het te ontnemen voordeel (HR 26 augustus 2003, NJ 2003, 696).

Op basis van deze jurisprudentie concludeert Vellinga dat er geen reden is om het wederrechtelijk verkregen voordeel op nihil te stellen in geval van verlies of diefstal. Het voordeel is immers verkregen. Verlies of diefstal is het maatschappelijke risico van bezit en dat doet aan de waarde van het verkregen voordeel niet af. Overigens stelt dat Vellinga dat de verdediging in zo’n geval nog wel goed zou kunnen bepleiten dat het opleggen van een betalingsverplichting geen redelijk doel meer dient.

De Hoge Raad haalde in het ‘gestolen kobalt’ arrestenkele passages aan uit de wetsgeschiedenis en stelt:

‘Op grond hiervan moet worden aangenomen dat, ook gelet op het reparatoire karakter van de maatregel, bij de bepaling van het voordeel dient te worden uitgegaan van het voordeel dat de veroordeelde in de concrete omstandigheden van het geval daadwerkelijk heeft behaald.’

Vervolgens concludeert de Hoge Raad dat er niets mis is met de redenering van het Hof dat in het midden kan blijven of het kobalt van de verdachte was gestolen. Immers: de verdachte had het kobalt (en daarmee het voordeel) al verkregen door zijn eigen diefstal. Kortom: het daadwerkelijk behaalde voordeel is het kobalt zelf en niet alleen het geld dat zou zijn verdiend door het verkopen ervan.

Terug naar de uitspraak van 2015 over de hennepkwekerij. Gelet op het bovenstaande is het niet heel gek dat de Hoge Raad heeft geoordeeld dat het telen van hennep een product oplevert dat als zodanig vermogenswaarde heeft en als daadwerkelijk behaald voordeel moet worden aangemerkt. Dus: als je hennep wordt gestolen kan het de verkoopwaarde ervan tóch worden ontnomen.

Resteert de vraag vanaf wanneer de hennep een product is dat als zodanig vermogenswaarde heeft? Is daarvan al sprake wanneer de hennepplanten nog stekjes zijn? Of wanneer het volwassen planten zijn? Of pas wanneer de hennepplanten ook daadwerkelijk zijn geoogst en/of gedroogd?

In de casus van het arrest van de Hoge Raad ging het om gedroogde hennep. Dus: henneptoppen die al van de planten waren afgeknipt en gedroogd. Ook uit de overweging dat het telen van hennep ‘een product oplevert’ kan worden afgeleid dat er pas sprake is van voordeel op het moment dat de de toppen uit de planten zijn geknipt en gedroogd. Immers: pas dan is er sprake van een product dat zonder verdere handeling kan worden verkocht.

In de casus van mijn cliënt waren de planten geript vóórdat ze überhaupt waren geoogst. In mijn optiek gaat het beroep op de jurisprudentie van de Hoge Raad derhalve niet op. Helaas kwam de rechtbank niet toe aan een oordeel hierover omdat men niet meeging met het standpunt van cliënt dat de kwekerij was leeggehaald.

* Dit artikel werd eerder gepubliceerd op hennepadvocaat.net. Op deze site schrijft mr. Van Breukelen regelmatig over hennep gerelateerde zaken. 

Wordt hennep kweken gelegaliseerd?

Mijn kantoor krijgt de laatste tijd regelmatig de vraag of hennep kweken sinds kort legaal geworden is of binnenkort zal worden. Dit heeft alles te maken met het wetsvoorstel van D66 dat op 21 februari jl. werd aangenomen. Om alle onduidelijkheid weg te nemen zal ik dit wetsvoorstel hier kort bespreken en vertellen wat het op dit moment betekent in de praktijk.

De huidige situatie

Om het nu aangenomen wetsvoorstel beter te kunnen begrijpen is het zinvol om even kort te herhalen wat de huidige situatie is.

Het kweken van wiet is nu volledig strafbaar gesteld in de Opiumwet. Er wordt slechts een uitzondering gemaakt voor een aantal telers met wie de overheid contracten heeft gesloten voor het aanleveren van medicinale wiet. Dergelijke contractanten maken zich derhalve niet schuldig aan enige overtreding van de Opiumwet.

Daarnaast geldt voor sommige hennepkwekers het zogenaamde gedoogbeleid. Indien iemand maximaal 5 planten heeft zonder gebruik te maken van professionele apparatuur zoals lampen of filters, dan geldt dat deze persoon in beginsel niet zal worden vervolgd. Een dergelijke kweker overtreedt weliswaar de Opiumwet, maar hij wordt niet vervolgd.

De verkoop van hennep is thans ook volledig strafbaar gesteld in de Opiumwet. Echter, ook hier geldt een gedoogbeleid voor coffeeshophouders die zich houden aan bepaalde criteria: de zogenaamde AHOJG-criteria. Een coffeeshop wordt niet vervolgd indien men geen reclame maakt (de A van affichering), geen harddrugs (H) verkoopt, geen overlast (O) veroorzaakt, geen toegang geeft voor jeugdigen (J) en geen grote (G) hoeveelheden verkoopt. Daarnaast mag men sinds enige tijd uitsluitend verkopen aan ingezetenen van een Nederlandse gemeente.

Dit gedoogbeleid is op dit moment neergelegd in de Aanwijzing Opiumwet (een beleidsregel) en dus niet in de Opiumwet zelf. Daarnaast leidt de huidige regeling tot de zogenaamde ‘achterdeur problematiek’. Er is min of meer geregeld dat wiet onder bepaalde omstandigheden mag worden verkocht vanuit coffeeshops, maar het kweken en de aanvoer ervan zijn nog steeds strafbaar.

Het voorstel

Het wetsvoorstel dat nu is aangenomen in de tweede kamer (wetsvoorstel 34 165) regelt in de kern drie dingen:

  • Het reeds bestaande gedoogbeleid ten aanzien van coffeeshops wordt vastgelegd in de Opiumwet;
  • Het wordt mogelijk gemaakt om met een ontheffing van de overheid wiet te kweken ten behoeve van coffeeshophouders;
  • Het zonder ontheffing kweken van wiet wordt (onder omstandigheden) zwaarder bestraft.

Het codificeren van het gedoogbeleid gebeurt in de voorgestelde artikelen 6a, 6b en 6c van de Opiumwet. Artikel 6a stelt dat de gemeenteraad kan besluiten dat het verkopen en aanwezig hebben van hennep is toegestaan in coffeeshops. Artikel 6b stelt eisen waaraan coffeeshops moeten voldoen om een ontheffing te krijgen en artikel 6c gaat over hoe lang de ontheffing geldig is. Voorts worden er nog enkele kleinere wijzigingen aangebracht in artikel 7, 8, 8a, 8b en 8c Opiumwet.

Het vastleggen van het legaal kunnen kweken gebeurt in de uitbreiding van artikel 8h met onderdeel c en d. Dit artikel gaat op dit moment uitsluitend over het legaal kweken voor medicinale doeleinden. Hieraan wordt toegevoegd dat er ook een ontheffing kan worden verleend voor het telen van hennep om hiermee coffeeshops te voorzien van voorraad.

Het gewijzigde artikel 8i zegt in lid 5 dat er uitsluitend overeenkomsten worden aangegaan met beroeps- of bedrijfsmatige telers van hennep. In een later te maken Algemene Maatregel van Bestuur worden nadere criteria gesteld om te bepalen of een teler wordt aangemerkt als beroeps- of bedrijfsmatig.

Ook worden in dit artikel nog een aantal aanvullende eisen gesteld:

  • de teler moet zorgdragen voor een goede kwaliteit van de hennep en de verpakking daarvan. Men moet ook de aanwijzingen opvolgen van speciaal daarvoor aangewezen ambtenaren;
  • het telen van hennep mag niet mag plaatsvinden in de nabijheid van woningen;
  • de teler moet maatregelen nemen om de veiligheid te waarborgen;
  • de hennep mag uitsluitend in gesloten verpakking worden vervoerd naar coffeeshops die een ontheffing hebben;
  • de teler moet voorafgaand aan een verkoop of aflevering informeren of de coffeeshop niet de maximaal aanwezige handelsvoorraad overschrijdt. Indien zulks zo is, mag men niet afleveren of verkopen;
  • de teler moet het beleid van de gemeente waarin de coffeeshop gevestigd is, in acht nemen en de goede uitvoering daarvan bevorderen.

Tot slot bevat het wetsvoorstel een verhoging van de maximale straf die kan worden opgelegd voor kweken zonder ontheffing. De maximale straf bedraagt nu voor de meeste hennepkwekerijen 6 jaar gevangenisstraf (artikel 11 lid 2 jo. lid 5 Opiumwet). In het voorstel wordt de maximale straf verhoogd naar 9 jaar gevangenisstraf als er levensgevaar of zwaar lichamelijk letsel voor een ander te duchten is. Mocht het leiden tot iemands dood, dan kan er zelfs 15 jaar gevangenisstraf worden opgelegd.

Er kan niet genoeg worden benadrukt dat het wetsvoorstel op dit moment (juni 2017) nog geen wet is. Het wetsvoorstel moet eerst nog worden goedgekeurd door de Eerste Kamer. Mogelijk wordt het voorstel in zijn geheel afgewezen of worden er nog wijzigingen in aangebracht.

Mocht het voorstel worden aangenomen dan betekent dit simpelweg dat de mogelijkheid ontstaat om legaal te gaan kweken, mits er aan een rits voorwaarden wordt voldaan. Dit wetsvoorstel maakt het niet legaal om zelf een kwekerij te gaan beginnen op een zolderkamertje. Voor mensen die dit toch doen, bijvoorbeeld om de buitenlandse markt te bedienen, zullen de straffen vermoedelijk zwaarder worden.

* Dit artikel werd eerder gepubliceerd op hennepadvocaat.net. Op deze site schrijft mr. Van Breukelen regelmatig over hennep gerelateerde zaken. 

De rechter weet het ook niet meer.

Als ouders van kinderen gaan scheiden, komt de oneerbiedige vraag aan de orde: ‘wat kost dat, een kind?’ Het gros van de ouders komt hier gelukkig wel uit met wat gezond verstand, een huishoudboekje en soms een advocaat.

Als het ouders niet lukt om de kosten van de kinderen vast te stellen en vervolgens om te slaan naar ieder van hen, kan de hulp van de rechter worden ingeroepen.  Maar ook de rechters weten het soms niet meer, zoals blijkt uit het persbericht van 3 juni 2015, gepubliceerd op www.rechtspraak.nl.

Wat is het geval? In de wet staat dat de kosten van kinderen door de ouders moeten worden betaald, klinkt logisch toch? Maar sinds een recente wetswijziging, betaalt ook de Nederlandse staat soms fors mee aan de kosten van een kind. Zo kan een alleenstaande ouder die een inkomen heeft rond bijstandsniveau, € 400 per maand ontvangen van de overheid. En rechters willen nu van de Hoge Raad weten of dit geld, dat vaak aan de moeder wordt uitbetaald, bij de berekening van kinderalimentatie moet worden afgetrokken  van de kosten die ouders kwijt zijn aan een kind. Als dat zo is – en de meeste rechters denken er overigens zo over – dan zal dat inhouden dat een grote groep vaders geen of zeer weinig kinderalimentatie meer hoeven te betalen. Leuk voor die vaders, maar het is de vraag of de politiek hier goed over heeft nagedacht. Let echter op dat eerdere  vastgestelde alimentatiebedragen niet vanzelf wijzigen, daar is een advocaat voor nodig!  Voor de liefhebbers hier de uitspraak waarin de rechters het ook niet (meer) weten.

Toezegging van politie dat verdachte niet wordt vervolgd kan bindend zijn

De Hoge Raad heeft op 3 maart 2015 een interessante beslissing genomen over de waarde die mag worden gehecht aan de mededeling van een politieagent dat een verdachte niet zal worden vervolgd.

De verdachte in deze zaak was door de politie aangehouden op verdenking van fraude via Marktplaats. Hij had zich voorgedaan als aanbieder van onder meer een iPhone en had na ontvangst van het geld nooit iets opgestuurd naar de koper. 

Uit het proces-verbaal van verhoor bleek dat de politie het volgende had gezegd: 'Voorts spreek ik met u af dat het geld op de rekeningen staat van de gedupeerden voor woensdag 21 juli 2010. Ik snap dat dit mijn laatste kans is voordat het dossier wordt opgestuurd naar de rechter'.

De advocaat van de verdachte had op de zitting in hoger beroep bepleit dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk was in de vervolging nu namens het openbaar ministerie de toezegging was gedaan dat er niet zou worden vervolgd als de verdachte de gedupeerden voor een bepaalde datum schadeloos zou stellen. De verdachte had zich aan die afspraak gehouden en was uiteindelijk toch vervolgd.

Het Hof verwierp dit verweer met de stelling dat niet een hoofdagent van politie, maar het openbaar ministerie beslist over het al dan niet bij de rechter aanbrengen van strafbare feiten. De verdachte had aan de opmerking van de agent dus niet de verwachting mogen ontlenen dat hij niet zou worden vervolgd.

De Hoge Raad maakt er in weinig woorden korte metten mee. Het hoogste rechtscollege merkt op dat het oordeel dat aan een toezegging van een hoofdagent van politie niet het gerechtvaardigd vertrouwen kan worden ontleend dat vervolging achterwege zal bijven - in zijn algemeenheid - onjuist is. 

Het Hof had volgens de Hoge Raad moeten onderzoeken of de toezegging inderdaad gedaan was en zo ja, of de verdachte daar op had mogen vertrouwen. Er kan niet worden volstaan met de enkele mededeling dat alleen het openbaar ministerie beslist over vervolgen. Onder omstandigheden kan een toezegging van een agent dus gevolgen hebben voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging. 

 

 

 

Verklaring Omtrent het Gedrag: de cijfers van 2013

Recentelijk heb ik een aantal artikelen geschreven over het strafblad en de verklaring omtrent het gedrag. De conclusie was toen dat het hebben van een strafblad niet altijd in de weg hoeft te staan aan een 'verklaring van goed gedrag', of officieel gezegd: de Verklaring Omtrent het Gedrag. 

Zelfs indien de VOG aanvankelijk wordt geweigerd, kan het zin hebben om daar een zienswijze en later eventueel bezwaar tegen in te dienen. Als het bezwaarschrift ongegrond wordt verklaard kan er nog in beroep worden gegaan. Daar heeft ons kantoor regelmatig succes mee. 

Inmiddels heb ik navraag gedaan bij de Dienst Justis om te kijken of er ook cijfers zijn die dit beeld bevestigen. De cijfers die ik ontving hebben betrekking op 2013, omdat ze van 2014 (uiteraard) nog niet bekend zijn.

Wat blijkt: in 2013 werden er 733.000 aanvragen om een VOG gedaan. Daarvan zijn er 4100 geweigerd. Dat is dus slechts 0.56 %. 

In 2013 kwamen er ruim 900 bezwaarschriften binnen bij de dienst Justis. In 65 % van die gevallen werd het bezwaar ongegrond verklaard. In 8 % van de gevallen werd het bezwaarschrift niet-ontvankelijk verklaard of werd het ingetrokken.

Dit betekent dat in maar liefst 27 % van de gevallen het bezwaarschrift gegrond werd verklaard. Dit lijkt voor een buitenstaander misschien weinig, maar dit is voor een bestuursrechtelijke bezwaarprocedure een groot percentage. Zeker gelet op het uitgebreide onderzoek en de zorgvuldige belangenafweging die men maakt voordat er een aanvraag wordt geweigerd. 

De cijfers zijn met name ook relevant voor minderjarigen. In 2013 werd voor mensen die nog geen 18 jaar waren in slechts 0,18 % van de gevallen een VOG geweigerd. In absolute cijfers: het ging om 43 minderjarigen die een VOG werd geweigerd. 

Voor mensen die nog geen 23 jaar waren ging het om 0,48 % van de aanvragen.

Het advies luidt dan ook om altijd op zijn minst een voornemen tot weigering voor te leggen aan een advocaat. In het algemeen is de kans namelijk aanzienlijk dat een zienswijze of bezwaar alsnog leidt tot de afgifte van een VOG.

 

 

Het strafblad (justitiële documentatie)

 

Cliënten stellen nogal eens de vraag of zij een strafblad krijgen als gevolg van het strafbare feit waarvan zij verdacht worden of veroordeeld zijn.

Hetgeen in de volksmond het ‘strafblad’ heet, wordt officieel de ‘justitiële documentatie’ genoemd. De regels hierover zijn terug te vinden in de ‘Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens’ en het daarvan afgeleide ‘Besluit justitiële gegevens’.

Hierbij volgt een overzicht van de regels die op dit moment gelden:*

Wanneer krijgt u een strafblad?

Voor de beantwoording van deze vraag is het belangrijk een onderscheid te maken tussen misdrijven en overtredingen. Of een bepaald delict een misdrijf of een overtreding is, wordt bepaald door de wet. In het algemeen kan gezegd worden dat de wat ernstiger delicten misdrijven zijn en de rest overtredingen.

Voorbeelden van misdrijven zijn: diefstal, belediging, mishandeling, valsheid in geschrifte, openlijke geweldpleging en het kweken van hennep.

Voorbeelden van overtredingen zijn: verboden naaktrecreatie, niet verschijnen als getuige, geen aangifte doen van een geboorte, lichte verkeersdelicten en openbare dronkenschap.

Voor misdrijven zijn de regels simpel. U krijgt een aantekening op uw justitiële documentatie vanaf het moment dat u wordt verdacht van een misdrijf en de zaak in behandeling is genomen door het Openbaar Ministerie. Wanneer de zaak vervolgens is afgedaan wordt de wijze van afdoening of de uitspraak vermeld op het strafblad.

Dit betekent ten eerste dat ook een schikking (transactie) met het Openbaar Ministerie op het strafblad wordt vermeld. Het is dus niet zo dat u een strafblad kunt voorkomen door een transactievoorstel (bijvoorbeeld het betalen van een boete) te voldoen. U voorkomt daarmee uitsluitend dat u voor de rechter moet komen.

Daarnaast betekent dit dat ook een vrijspraak of een sepot worden vermeld op het strafblad. Er staat dus op papier dat u ooit verdachte bent geweest van het betreffende misdrijf: ook al bent u nooit vervolgd, ook al bent u vrijgesproken. Hierop is slechts één uitzondering: als de zaak is geseponeerd omdat u ten onrechte als verdachte bent aangemerkt (sepotcode 01).

Voor overtredingen ligt het iets anders. Hiervoor komt slechts een aantekening op uw justitiële documentatie vanaf het moment dat het Openbaar Ministerie een beslissing heeft genomen over de afdoening van de zaak. In de volgende drie gevallen volgt überhaupt geen aantekening: 

  • er wordt een strafbeschikking opgelegd van minder dan € 100,00;
  • de zaak wordt geseponeerd zonder bijzondere voorwaarden; en
  • de rechter legt een geldboete op van minder dan € 100,00.

Ondanks bovenstaande hoofdregel volgt altijd een aantekening voor de volgende overtredingen:

  • overtredingen betreffende de algemene veiligheid van personen en goederen;
  • overtredingen betreffende de openbare orde;
  • overtredingen inzake bijstandsfraude;
  • openbare dronkenschap;
  • ambtsovertredingen;
  • overtredingen van de Wet op de economische delicten
  • geen aansprakelijkheidsverzekering afsluiten voor een motorrijtuig;
  • rijden zonder geldig rijbewijs;
  • meer dan 30 km/h te hard rijden;
  • meer dan 25 km/h te hard varen;
  • overtredingen van de Vreemdelingenwet;
  • overtredingen van de Wet Wapens en Munitie;
  • overtredingen van de Drank- en Horecawet;
  • overtredingen van de Flora- en faunawet.

Wanneer wordt ‘het strafblad’ verwijderd?

Ook hiervoor wordt een onderscheid gemaakt tussen misdrijven en overtredingen.

Voor misdrijven zijn de regels vrij ingewikkeld. Er wordt namelijk een onderscheid gemaakt tussen lichte misdrijven, zware misdrijven en zedenmisdrijven. Daarnaast kan de termijn voor het bewaren van het strafblad in bepaalde gevallen worden verlengd en geldt er een uitzondering voor levenslange gevangenisstraf of wanneer een maatregel zoals TBS langer dan 40 jaar zou duren.

Bij lichte misdrijven (feiten waarvoor u volgens de wet minder dan 6 jaar kunt krijgen) wordt het strafblad in principe verwijderd als er 20 jaar zijn verstreken na de einduitspraak of 20 jaar na het volledig voldoen van de strafbeschikking. In ieder geval worden de gegevens 12 jaar na het overlijden van de betrokkene verwijderd. Ook worden de gegevens verwijderd als het feit verjaard is.

Bij zware misdrijven (feiten waarvoor u volgens de wet minimaal 6 jaar kunt krijgen) wordt het strafblad in principe verwijderd als er 30 jaar zijn verstreken na de einduitspraak of na het volledig voldoen van de strafbeschikking. In ieder geval worden de gegevens 20 jaar na het overlijden van de betrokkene verwijderd. Ook worden de gegevens verwijderd als het feit verjaard is.

Bij zedenmisdrijven worden de gegevens pas na 80 jaar verwijderd, ongeacht of het feit verjaard is.

Verlenging en uitzonderingen:

De termijn wordt met 20 jaar (lichte misdrijven) respectievelijk 30 jaar (zware misdrijven) verlengd als er een nieuwe veroordeling volgt voor een ander feit.

De termijn van 30 jaar voor zware misdrijven wordt verlengd met 20 jaar als de duur van de gevangenisstraf of vrijheidsbenemende maatregel (bijvoorbeeld TBS) langer duurt dan 20 jaar.

Wordt er levenslange gevangenisstraf opgelegd of duurt de vrijheidsbenemende maatregel langer dan 40 jaar, dan worden de gegevens pas na 80 jaar vernietigd.

Voor overtredingen zijn de regels eenvoudiger. Justitiële gegevens van overtredingen worden verwijderd na verloop van de volgende termijnen:

  • 5 jaar na de einduitspraak of 5 jaar na het volledig betalen van een strafbeschikking;
  • 10 jaar na de einduitspraak of 10 jaar na het volledig voldoen van een strafbeschikking indien er een vrijheidsstraf of een taakstraf is opgelegd;
  • 2 jaar na het overlijden van de betrokkene;
  • na het verjaren van de overtreding.

Is er een verschil voor minderjarigen?

Nee, deze regels zijn eveneens van toepassing op minderjarigen. Wel is het zo dat gegevens van minderjarigen minder snel worden verstrekt aan andere instanties dan de rechterlijke macht. Bovendien kan er pas een strafblad worden gegeven voor strafbare feiten die zijn begaan nadat iemand 12 jaar geworden is. Ook een HALT afdoening komt niet op het strafblad.

Krijg ik geen verklaring van goed gedrag zolang ik een strafblad heb?

Dat hoeft niet. Voor het verkrijgen van een Verklaring Omtrent het Gedrag gelden andere regels en (kortere) termijnen. Bovenstaande regels hebben uitsluitend betrekking op het opslaan van gegevens over strafbare feiten in de justitiële documentatie.

 

 

*Belangrijk: om de regels zo begrijpelijk en duidelijk mogelijk uit te leggen, zijn sommige details in de regelgeving weggelaten. Bovendien is wetgeving altijd aan verandering onderhevig. Aan dit artikel kunnen dan ook geen rechten worden ontleend. Als u absolute zekerheid wilt hebben over de status van uw strafblad dan kunt u contact opnemen met ons kantoor. Wij zoeken het graag voor u uit.

De Verklaring Omtrent het Gedrag (VOG)

Cliënten stellen vaak de vraag of ze door hun strafblad nog een verklaring van goed gedrag kunnen krijgen. Hoewel het antwoord op deze vraag altijd afhankelijk is van de omstandigheden van het geval, wordt in dit artikel een overzicht gegeven van de regels.*

Regelgeving

Officieel gaat het om de Verklaring Omtrent het Gedrag, afgekort de: VOG. Indien een dergelijke verklaring wordt gewenst, dient deze te worden aangevraagd bij de gemeente. De aanvraag zal vervolgens worden beoordeeld door het Centraal Orgaan Verklaring Omtrent het Gedrag (COVOG) van de dienst Justis, gevestigd in Den Haag.

De relevante wetgeving is neergelegd in de artikelen 28 t/m 39 van de Wet justitiële en strafvorderlijke gegevens. De toepassing van deze regels is verder uitgewerkt in enkele beleidsregels.

Met welke gegevens wordt rekening gehouden?

Bij de beoordeling van een aanvraag van een VOG wordt rekening gehouden met alle gegevens die op de justitiële documentatie (strafblad) staan. Daaronder zijn begrepen veroordelingen, maar ook schikkingen, openstaande zaken en sepots. Alleen met vrijspraken mag geen rekening worden gehouden.

Hoe lang heb ik last van een strafblad?

Dit hangt af van de functie waarvoor de VOG wordt gevraagd en van het soort delict(en) op het strafblad.

Voor de meeste functies geldt een zogenaamde terugkijktermijn van 4 jaar. Dit betekent dat de VOG zal worden afgegeven als er in de 4 jaar vóór de aanvraag geen justitiële gegevens worden aangetroffen. Wordt er binnen de terugkijktermijn wél justitiële documentatie gevonden, dan kan direct verder worden teruggekeken in de tijd en mag alle documentatie in de beoordeling worden betrokken.

Daarbij is overigens van belang dat wordt gekeken naar de datum van de veroordeling, de strafbeschikking of de schikking met het Openbaar Ministerie. Er wordt dus niet gekeken naar de datum waarop het feit is begaan.

Als u bijvoorbeeld op 5 januari 2013 een winkeldiefstal hebt begaan, maar daarvoor pas op 24 november 2014 bent veroordeeld, dan loopt de termijn van 4 jaar dus van 24 november 2014 tot en met 24 november 2018.

Dit is slechts anders als tussen de pleegdatum en de datum van veroordeling of de datum van de strafbeschikking of schikking meer dan 2 jaar zijn verstreken. In die gevallen wordt geteld vanaf de pleegdatum. Een uitzondering hierop vormen zedendelicten en fraudedelicten. Voor die zaken wordt niet gekeken naar de pleegdatum, maar naar de datum waarop de zaak is aangebracht en is ingeschreven in het justitiële documentatie systeem. 

De terugkijktermijn is meer dan 4 jaar in de volgende gevallen:

  1. Het gaat om een functie met hoge integriteitseisen (zie hieronder);
  2. De aanvraag hangt samen met een bijzondere wet of regeling waarin een andere termijn is opgenomen of waarin de termijn samenhangt met de duur van een vergunning. Dit geldt bijvoorbeeld in de taxibranche (5 jaar), het beroepsgoederenvervoer (5 jaar) of voor het verkrijgen van een wapenvergunning (8 jaar);
  3. Voorafgaand aan de aanvraag is een gevangenisstraf of vrijheidsbeperkende maatregel zoals TBS ondergaan. In dat geval wordt de terugkijktermijn telkens vermeerderd met de tijd dat men vast heeft gezeten. Het gaat er om dat de periode van de terugkijktermijn in vrijheid is doorgebracht; en
  4. Indien er op de justitiële documentatie zedenzaken staan, dan geldt een onbeperkte terugkijktermijn.
  5. Indien er buiten de terugkijktermijn ernstige feiten worden aangetroffen op het strafblad en waarvoor destijds onvoorwaardelijke jeugddetentie, gevangenisstraf, TBS of een PIJ maatregel is opgelegd. In dat geval mag men tot 20 jaar terugkijken. 

Een aantal functies met hoge integriteitseisen (punt 1) waarvoor langere termijnen gelden:

  • tolk / vertaler (10 jaar)
  • politieke ambtsdragers zoals leden van de tweede kamer of wethouders (10 jaar)
  • buitengewoon opsporingsambtenaren (10 jaar)
  • opsporingsambtenaren werkzaam bij een bijzondere opsporingsdienst (10 jaar)
  • personen werkzaam bij de diplomatieke dienst (10 jaar)
  • personen werkzaam bij de Dienst Terugkeer en Vertrek (10 jaar)
  • personen die werkzaam zijn bij een kerncentrale of een militaire basis (10 jaar)

Wat gebeurt er als er in de terugkijktermijn een delict op mijn strafblad staat?

In dat geval zal het COVOG verder terugkijken in het verleden en bezien of er nog meer strafbare feiten voorkomen. Vervolgens zal worden beoordeeld of de gevonden gegevens een belemmering zijn voor het afgeven van een Verklaring Omtrent het Gedrag.

Daarbij wordt een objectief criterium en een subjectief criterium gebruikt. Het objectieve criterium heeft betrekking op de vraag of herhaling van het strafbare feit een belemmering kan vormen voor een behoorlijke uitoefening van de functie waarvoor de VOG is aangevraagd.

Het subjectieve criterium heeft betrekking op het belang van de aanvrager. Soms weegt het belang van de aanvrager om een VOG te ontvangen zwaarder dan het belang van de samenleving bij bescherming tegen het vastgestelde risico.

Het voert te ver om de toepassing van deze criteria hier uitgebreid te bespreken. Relevant is dat het feit dat u een delict op uw strafblad hebt staan binnen de terugkijktermijn niet per se hoeft te betekenen dat u geen VOG zult ontvangen. Soms kan een aanvraag toch zinvol zijn.

Ik was minderjarig of nog vrij jong toen ik een delict pleegde. Hoe zit het dan?

Als u nog geen 23 bent op het moment dat u de aanvraag doet, betreft de terugkijktermijn in principe maar 2 jaar. Dit geldt echter alleen als er op de justitiële documentatie geen zedendelicten of ernstige geweldsmisdrijven worden aangetroffen. Met ernstige geweldsmisdrijven wordt bedoeld dat er volgens de wet 6 jaar gevangenisstraf (of meer) voor kan worden opgelegd. Dit geldt niet voor een simpele mishandeling, maar bijvoorbeeld wel voor opzettelijke zware mishandeling of een poging tot doodslag. 

Wat kan ik doen als de aanvraag om een VOG wordt geweigerd?

U zult in zo’n geval altijd eerst een voornemen tot weigering ontvangen. Dit is een brief waarin staat dat men voornemens is de VOG niet af te geven en waarom niet. U krijgt dan de gelegenheid om daar op te reageren door het indienen van een zogenaamde ‘zienswijze’.

Vervolgens zal men voor de definitieve beslissing rekening moeten houden met deze zienswijze. Volgt er alsnog een afwijzing, dan kunt u daar bezwaar tegen maken. Tegen een ongegrondverklaring van het bezwaar kunt u vervolgens in beroep bij de bestuursrechter.

Indien u een voornemen tot afwijzing ontvangt is het van groot belang dat u zo snel mogelijk contact opneemt met ons kantoor. Doorgaans kan met het indienen van een zienswijze namelijk meer worden bereikt dan met het indienen van een bezwaarschrift. Een zienswijze moet binnen 2 weken worden ingediend.

Wordt mijn werkgever ingelicht over mijn strafblad?

Nee. Als u van uw werkgever een VOG moet overleggen, zal het COVOG uitsluitend met u corresponderen. Uw werkgever wordt niet op de hoogte gesteld van het weigeren van de VOG en er wordt desgevraagd ook niets medegedeeld over de redenen van het weigeren daarvan.

Sinds 2013 geldt er voor twee branches echter de zogenaamde 'continue screening'. Het gaat de taxibranche en om de kinderopvangbranche. Indien u werkzaam bent als taxichauffeur of als medewerker van een kinderdagverblijf, dan wordt uw strafblad voortdurend in de gaten gehouden. Komt er nieuwe informatie bij, dan zal door de dienst Justis van het Ministerie van Veiligheid en Justitie worden beoordeeld of er een nieuwe VOG toetsing nodig is. Zo ja, dan krijgt de toezichthouder van de betreffende branche (de Inspectie voor Leefomgeving en Transport respectievelijk de GGD) een signaal dat er een nieuwe VOG moet worden aangevraagd. Dit signaal wordt doorgespeeld naar uw werkgever. U zult dan van uw werkgever het verzoek krijgen een nieuwe VOG aan te vragen. In afwachting van de uitkomst daarvan, zult u op non-actief worden gesteld. 

Met andere woorden: als u reeds een VOG hebt en daarmee werkzaam bent in de kinderopvang of in de taxibranche, en u begaat vervolgens een strafbaar feit, dan zal uw werkgever er in ieder geval achter komen dat er iets is gebeurd en dat dit een reden is om een nieuwe VOG aan te vragen. De werkgever ontvangt echter geen inhoudelijke informatie over het delict dat zou zijn begaan. 

 

*Belangrijk: om de regels zo begrijpelijk en duidelijk mogelijk uit te leggen, zijn sommige details in de regelgeving weggelaten. Bovendien is wetgeving en beleid altijd aan verandering onderhevig. De hierboven omschreven regels waren in ieder geval geldig op het moment van schrijven van dit artikel. Aan dit artikel kunnen geen rechten worden ontleend. Indien u zekerheid wilt neem dan contact op met ons kantoor.

Gemiddelde straf voor hennepkwekerij

Ons kantoor ontvangt bijna dagelijks de vraag wat voor straf er staat op het hebben van een hennepkwekerij. Het antwoord op die vraag is simpel: er staat geen vaste straf op.

De strafmaat voor het hebben van een wietkwekerij is afhankelijk van verschillende  factoren zoals het aantal planten, de duur van de periode waarin de kwekerij heeft gedraaid, de professionaliteit ervan, het al dan niet illegaal aftappen van stroom, het strafblad van de verdachte, zijn of haar persoonlijke omstandigheden en tenslotte de proceshouding op de zitting. 

Het grootste deel van de opgerolde kwekerijen betreft echter de eenvoudige thuisteler die maximaal 200 planten op zolder of in de kelder heeft staan en al snel wordt betrapt. Meestal zijn er een stuk of 4 oogsten geweest, soms minder, soms meer, soms viel de politie al binnen voordat er überhaupt geoogst was. 

Op basis van praktijkervaring kan gezegd worden dat het hebben van dit soort wietplantages door de politierechter wordt bestraft met een taakstraf van gemiddeld 80 à 120 uur op voorwaarde dat de verdachte  niet eerder is veroordeeld voor overtreding van de opiumwet. Dit is met nadruk een gemiddelde, omdat de straffen soms hoger uitvallen. Bijvoorbeeld als het aantal planten of het aantal oogsten hoger lag, of wanneer er groot brandgevaar is ontstaan. 

Naast een taakstraf wordt er soms een voorwaardelijke gevangenisstraf van een aantal weken opgelegd. Dit betekent dat de veroordeelde niet hoeft te gaan zitten, tenzij hij of zij zich in een proeftijd (die meestal 2 jaar duurt) opnieuw schuldig maakt aan een misdrijf of overtreding. 

Voor echt professionele kwekerijen in loodsen en bedrijfspanden, waar op grote schaal hennep wordt geteeld (de zogenaamde ‘wietfabrieken’), worden geen taakstraffen meer uitgedeeld. Daar volgt zonder meer onvoorwaardelijke gevangenisstraf en vaak ook langdurige voorlopige hechtenis.

De grootste zorg voor de meeste cliënten die een hennepkwekerij hebben gehad is echter niet de taakstraf, maar de zogenaamde ontnemingsvordering. De Officier van Justitie gaat er vanuit dat er (veel) geld is verdiend met het kweken van wiet, en eist dat dit geld wordt terugbetaald aan de Nederlandse Staat. Dit wordt ook wel de ‘pluk ze’ maatregel genoemd. Het is dus géén straf of een boete, maar een maatregel die de hennepteler verplicht het verdiende geld terug te betalen aan de overheid. 

Omdat justitie doorgaans niet afgaat op wat de verdachte zelf verklaart over de hoeveelheid oogsten en de opbrengsten daarvan, volgt er een berekening. Men gaat er vanuit dat een cannabisplant gemiddeld 28,2 gram aan gedroogde hennep oplevert. Deze hoeveelheid wordt vermenigvuldigd met het aantal aangetroffen planten en het aantal oogsten dat door justitie aannemelijk wordt geacht. Vervolgens wordt gekeken naar de verkoopwaarde van marihuana en komt men tot een vaak duizelingwekkend bedrag dat de verdachte dient terug te betalen. 

Bij de meest eenvoudige – kleine – thuiskwekerij eist justitie vaak al duizenden euro’s terug van de verdachte. Bij een wat grotere thuiskwekerij die wat langer heeft gedraaid, komt het bedrag al snel boven de 100.000 euro. 

Het is de taak van de advocaat / raadsman om deze geldvordering zo goed mogelijk te bestrijden. Gelukkig valt er vaak heel wat af te dingen op de berekening die door justitie is gemaakt. Deskundige rechtsbijstand kan de verdachte al snel tienduizenden euro’s schelen.

Ruimte verhuren voor hennepkweek? Kijk uit!

Op kantoor komen zeer regelmatig cliënten die een garage, een loods of een zolderkamer hebben verhuurd aan andere personen die daar vervolgens een hennepkwekerij zijn begonnen. De betreffende cliënt is daar meestal mee akkoord gegaan in ruil voor een deel van de opbrengst.

De verleiding om op een dergelijk voorstel in te gaan is vaak erg groot, zeker omdat veel mensen denken dat het hebben van een wietkwekerij hooguit wordt bestraft met een taakstraf of een kleine geldboete.

De werkelijkheid is echter anders. Zodra een kwekerij wordt opgerold, wordt de geregistreerde huurder of eigenaar van het betreffende pand aangemerkt als verdachte. Zolang deze persoon geen gegevens van eventuele andere personen wil of kan geven, zal hij of zij altijd de enige verdachte blijven en voor de gevolgen moeten opdraaien.

In tegenstelling tot wat vaak wordt gedacht, zijn die gevolgen niet gering. Naast het moeten betalen van duizenden euro’s voor weggenomen elektriciteit en ontruimingskosten, volgt ook vaak een ontbinding van de huurovereenkomst.

Een jaar tot anderhalf jaar na het ontmantelen van de hennepkwekerij moet de verdachte voor de strafrechter verschijnen. Naast een dagvaarding voor overtreding van de Opiumwet en diefstal van elektriciteit, volgt in hennepzaken vrijwel altijd een ontnemingsvordering.

De ontnemingsvordering is een brief waarin staat dat het Openbaar Ministerie op basis van de zogenaamde ‘pluk ze’ wetgeving een bepaald bedrag terugvordert van de verdachte. Dit bedrag bestaat uit de illegale inkomsten die volgens de Officier van Justitie met de kwekerij zijn verdiend.

De meeste cliënten die een dergelijke vordering ontvangen zijn geschokt door de hoogte van het bedrag. Voor een kleine kwekerij op een zolderkamer waarvan bijvoorbeeld 2 of 3 oogsten zijn genoten, wordt al snel een bedrag gevraagd van 70 of 80 duizend euro. Gaat het een om een wat grotere kwekerij die een jaar gedraaid heeft, dan zijn bedragen van boven 200.000 euro niet ongebruikelijk.

Hoe komt men tot dit soort bedragen? De berekening is gebaseerd op vijf onderdelen:

  1. het aantal oogsten
  2. het aantal planten
  3. de opbrengst per plant in grammen hennep
  4. de verkoopprijs van een kilo hennep
  5. de kosten die voor aftrek in aanmerking komen

Onderdeel 1: het aantal oogsten

Het aantal oogsten van de hennepkwekerij wordt meestal geschat door een deskundige van de politie of van de energiemaatschappij. Als de stroom via de meter heeft gelopen kan achteraf vaak een redelijk nauwkeurige schatting worden gemaakt op basis van het energieverbruik. In de meeste gevallen volgt echter een vrij onnauwkeurige schatting op basis van de omstandigheden die men aantrof. Denk daarbij aan de hoeveelheid stof en kalkaanslag, de vervuiling van het koolstoffilter, productiedata op apparatuur en aangetroffen plantenresten.

Onderdeel 2: het aantal planten

In de ontnemingsberekening wordt altijd gerekend met het aantal planten dat werd aangetroffen toen de kwekerij werd ontruimd. Tenzij de verdachte het keihard kan aantonen, zal geen rekening worden gehouden met de stelling dat er bij eerdere oogsten minder planten stonden. Men gaat er vanuit dat de capaciteit van de kwekerij altijd volledig is gebruikt.

Onderdeel 3: de opbrengst per plant

In de meeste gevallen wordt de kwekerij werkend aangetroffen met de wietplanten in een bepaald groeistadium. Tenzij er reeds geknipte en gedroogde planten worden aangetroffen, kan dus niet worden vastgesteld hoeveel gram hennep de planten hebben opgeleverd.

Voor dat probleem heeft justitie echter een oplossing in de vorm van het zogenaamde BOOM (Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie)-rapport. In dit rapport wordt uitgelegd hoeveel gram een cannabisplant bij thuiskweek gemiddeld oplevert. Uit onderzoek is gebleken dat dit gemiddeld 28,2 gram bedraagt. In een ontnemingsberekening wordt deze opbrengst van 28,2 gram hennep per plant als uitgangspunt genomen.

Onderdeel 4: de verkoopprijs van een kilo hennep

De verkoopprijs van een kilo hennep die justitie gebruikt voor de berekening van de opbrengst, komt eveneens uit het BOOM rapport en bedraagt op dit moment 3.280 euro. Indien men deze norm niet hanteert gebruikt men soms informatie van het Nationaal Netwerk Drugsexpertise (NND) van de politie. Het NND doet onderzoek naar de ‘straatprijs’ van hennep, op basis van meldingen die men ontvangt. De prijs per kilo is de laatste jaren behoorlijk gestegen. Enkele jaren geleden werd een bedrag gehanteerd van 2.500 euro per kilo. Anno 2014 is een bedrag van tussen de 3.000 en 4.000 euro gebruikelijk.

Onderdeel 5: de kosten die voor aftrek in aanmerking komen

Hoewel voor het opbouwen van een kwekerij vaak investeringen moeten worden gedaan van duizenden euro’s, kunnen deze kosten niet volledig worden afgetrokken van de opbrengst. Het openbaar ministerie gaat er vanuit dat apparatuur zoals assimilatielampen en transformatoren jarenlang meegaan en dat per oogst slechts een klein bedrag aan afschrijving kan worden afgetrokken. Hoe groot dit bedrag is, hangt af van de omvang van de kwekerij. Gemiddeld kan per oogst een bedrag van 200 euro worden afgetrokken voor afschrijving van apparatuur.

Ook de kosten voor stekjes en verzorging van de planten kan worden afgetrokken. Hiervoor wordt standaard een bedrag van 6,18 euro per plant gerekend.

De kosten voor energieverbruik komen voor aftrek in aanmerking als de stroom via de meter heeft gelopen. Is de stroom gestolen, dan kunnen de kosten die men later heeft moeten terugbetalen aan de energiemaatschappij worden afgetrokken, mits deze daadwerkelijk zijn voldaan. Let op: alleen daadwerkelijke energiekosten ten behoeve van de gerealiseerde oogst kunnen worden afgetrokken. Fraudekosten, onderzoekskosten of stroomkosten voor niet berekende of niet gerealiseerde oogsten komen niet voor aftrek in aanmerking. 

Voorbeeldberekening

Laten we als voorbeeld nemen een verdachte die op zolder een kleine kwekerij heeft gehad van 250 planten. De deskundige heeft vastgesteld dat er minstens 4 oogsten moeten zijn geweest en de verdachte heeft achteraf (naast fraudekosten) 2.000 euro aan energiekosten betaald aan de energiemaatschappij. 

Het openbaar ministerie zal dan met de volgende berekening komen:

250 planten x 28,2 gram = 7050 gram, oftewel 7,05 kilo.

7,05 kilo x 3.280 euro = 23.124 euro bruto opbrengst.

De vaste kosten bedragen volgens het BOOM rapport 200 euro.

De variabele kosten zijn 250 x 6,18 euro = 1.545 euro.

De totale kosten zijn dus 200 + 1.545 = 1.745 euro.

23.124 euro (bruto opbrengst) – 1.745 euro (kosten) = 21.379 euro netto per oogst.

Totale opbrengst: 4 oogsten x 21.379 euro = 85.516 euro. Hiervan kunnen de betaalde energiekosten worden afgetrokken. Het bedrag dat de Officier van Justitie zal terugvorderen bedraagt dus 85.516 euro - 2.000 euro: 83.516 euro.

Conclusie is dat een kleine en in de ogen van veel cliënten – onschuldige – kwekerij, grote gevolgen kan hebben. Zeggen dat de kwekerij (veel) minder opbrengst heeft gehad heeft weinig zin omdat de rechter in beginsel zelden zal afgaan op wat de verdachte zelf zegt.

Gelukkig kan een advocaat die ervaring heeft met hennepzaken vaak het nodige afdingen op de berekening van het openbaar ministerie. Hoeveel wederrechtelijk verkregen voordeel uiteindelijk zal worden vastgesteld door de rechter hangt in dit soort zaken ook vaak af van de geloofwaardigheid van wat de verdachte zelf zegt. Het is dus zaak daar goed advies over in te winnen, het liefst nog voordat een verklaring wordt afgelegd bij de politie.